Voor Email naar de website klik hier

            

 

INTERVIEWS met de VEGHELSE MISSIONARISSEN

 

 

Namens de MOV groep (Missie - Ontwikkeling en Vrede) maakt Frits Sanders een reeks interviews met de nog werkzame Veghelse missionarissen.

 

Het gaat om een reeks interviews van vier in 2010 gehouden zijn en twee in 2011 en een in 2012 

Steeds wordt het interview in verkorte versie gepubliceerd in het parochieblad de Christoffel maar is hier op de website het volledige interview te lezen. 

 

 

Broeder Henk van Heck:    klik hier 

 

Broeder Jos van Dinther:

Pater Martin van de Ven:   klik hier 

Broeder Harry Schellen :    klik hier 

Broeder Albert Ketelaars : klik hier

Broeder Nico Coolen :         klik hier 

Zr. Gaudi van der Linden:  zie hieronder

--------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

 

Levensverhaal zr. Gaudi van der Linden

Begin augustus 2012 bezoek ik zr. Gaudi van der Linden, net  85 jaar geworden, op haar kamer in het Retraitehuis in Uden.  Zij is lid van de congregatie van de dienaressen van de Heilige Geest in de volksmond ook wel blauwe zusters genoemd.

Gaudi  is in 1927 geboren in Veghel aan de Beukelaar. Haar vader en moeder hadden daar een boerderij. Zij komt uit een gezin van 12 kinderen , waarvan er nog 5 in leven zijn. Als gevolg van wat geheugenproblemen vanwege haar hoge leeftijd is het niet goed mogelijk om een uitgebreid interview met zr. Gaudi te houden.

Toch weet zij mij nog het volgende te vertellen.

Gaudi werd als jonge vrouw gegrepen door de missielectuur die zij in haar jeugd onder ogen kreeg. Haar keuze kwam snel vast te staan. Zij wilde intreden bij de zgn. missiezusters van Steyl, De orde werd in het dorpje Steyl bij Venlo in 1889 opgericht door de priester Arnoldus Janssen uit Goch. In 1875 had hij al eerder een missionaire mannengemeenschap opgericht in Steyl , de missionarissen van het Goddelijk Woord ( SVD).  Naar Steyl vlak over de Duitse grens was hij uitgeweken omdat het onder Bismarck in die tijd niet goed mogelijk was een kloosterorde op te richten. De zusters Maria Helena Stollenwerk en zr. Josefa Hendrina Stenmanns worden beschouwd als medeoprichters van de congregatie. In ± 1910 werd een Nederlandse tak in Horn en Kerkrade opgericht.  Later volgde nog meer kloosters in Nederland en daar buiten , waaronder een in Uden ( 1912). In 1896 richtte Janssen ook nog een contemplatieve tak op;  de missiezusters van de eeuwigdurende aanbidding, dit zijn de zgn. roze zusters en ook zij hebben zich wereldwijd verbreid. Arnoldus Janssen werd in 2003 door de Paus heilig verklaard. De missiezusters dienaressen van de Heilige geest  zijn 
een internationale missionaire congregatie binnen de Katholieke Kerk, een groep van ca. 3200 vrouwen afkomstig uit verschillende culturen en naties. Zij zetten zich in circa 45 landen in en richten zich op
mensen in een kwetsbare positie, door het `bieden van  geestelijke en maatschappelijke ondersteuning, scholing en gezondheidszorg.

Gaudi kwam als toekomstig zuster terecht in Baexem ( L) . Hier kreeg zij haar vorming en werd zij opgeleid tot verpleegster. Met deze bagage werd zij uitgezonden naar Papua Nieuw Guinea, Australisch gebied. Als ik haar vraag of zij het niet moeilijk vond om vanuit haar Veghelse achtergrond naar zo’n onbekend en ver gebied af te reizen, zegt ze : “Je went aan alles , als je maar wil “ Deze wijze woorden kenmerken haar. Zij is een nuchter en blijmoedig persoon. Zij wordt door vele gerespecteerd en bewonderd en velen vragen nog naar haar, volgens een medezuster . Haar vader had meer moeite met haar vertrek :” Ach durske”, zei hij , “war gadde toch hinne. Nou zien we oe nie mer. “Gelukkig is dat wel meegevallen.

In Mount Haren in de Western Highlands op Papua Nieuw Guinea begint  Gaudi in 1968 op 41 jarige leeftijd een nieuw leven. Zij ontwikkeld zich tot een 1e klas verpleegster en met steun van o.a. de Veghelse gemeenschap is zij in staat om er een mooi ziekenhuis te bouwen. Zij maakte geen onderscheid tussen personen en hielp iedereen. Tot 1997 verbleef zij op het eiland en keerde vervolgens terug naar het Retraitehuis in Uden, want inmiddels was verbouwd tot een verzorgingshuis voor oudere zusters. 29 jaar maakte zij zich dienstbaar voor de mensen op Papua Nieuw Guinea.

 

--------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

Interview  Henk van Heck , broeder Wladimir

 

 

In het ouderlijk huis aan de Zeven Eikenlaan 14 geeft  Henk van Heck mij de gelegenheid om hem te interviewen. 

Op 15 juli j.l. (2010) is hij weer teruggekeerd naar zijn Malawi.

 

Henk is op 26-10 1929 in Veghel geboren in een niet meer bestaand huis langs het spoor.

Henk komt uit een gezin van 6 kinderen. Hij is de oudste van vijf broers .Zijn zus is een paar jaar geleden overleden. Zijn vader was  rangeerder bij het spoor. Het gezin verhuisde later naar het Middengaal en in 1937  naar de Zeveneikenlaan.

 

Henk volgde onderwijs bij de broeders van Maastricht op de toenmalige Aloysiusschool. Hij kon ook moeilijk anders want al het onderwijs in Veghel werd door de broeders verzorgd.  

 

In de 3e klas van de lagere school vertelde mijn moeder aan Br. Ephrem dat ik broeder wilde worden. Waarom weet ik niet meer. Ik herinner mij dat Br. Nicetas van Eerd in de zesde klas mij vroeg  of ik nog steeds broeder wilde worden. Het bleek dat er nog meer kandidaten waren, want september 1943 gingen er zes jongelui naar Simpelveld .Dat waren Piet Raaymakers. Dorus i.v.m. de oorlog.”

 

Vervolgens zette hij zijn beroepskeuze door en  kwam hij terecht in Maastricht , waar hij de kweekschool volgde. In 1951 werd hij  als broeder  en gediplomeerd onderwijzer door zijn overste naar Haarlem gestuurd en werd hem tegelijkertijd opgedragen om de hoofdakte te gaan halen.

Alras volgde in 1952 een benoeming voor Schiedam waar dringend vervanging nodig was.

Als hij in 1955 zijn  hoofdakte  heeft gehaald ,vraagt de overste hem om les te gaan geven aan het doveninstituut in st. Michielsgestel. Henk is verbaasd. Nooit heeft hij er met iemand over gesproken, dat het zijn hartenwens is om met dove mensen te mogen werken en dan komt deze benoeming zo maar uit de lucht vallen !!! 

Met zijn hele ziel en zaligheid werpt hij zich op het lesgeven aan dove mensen.

 

Ook voor Henk zijn de zeventiger jaren roerige jaren. Nogal wat van zijn collega’s , mede –broeders , besluiten de congregatie te verlaten  Zij geven het celibatair leven op. Het is de tijdgeest die over Rooms Katholiek Nederland waait en die vele goed opgeleide en bekwame mensen doet besluiten om als uiterste consequentie van hun keuze ook hun dierbare arbeidsplaats en mede broeders  te verlaten. 

In St. Michielsgestel ontwikkelt Henk zich  tot een zeer bekwame leerkracht . 25 jaar heeft hij dit werk met plezier gedaan. Dan ontmoet hij in 1979 zijn medebroeder Joop Meeuws, die in Malawi werkzaam is en daar in 1971 is begonnen met het geven van onderwijs aan dove kinderen. Hij zegt tegen Henk.: “Is Malawi niks voor jou?. “ Nooit had ik er aan gedacht om naar Malawi te gaan, maar die vraag liet me niet meer los. Ik was toen 50 jaar en dacht als ik het nu niet doe ,doe ik het nooit meer. Nadat de dokter me gezond verklaarde ,heb ik de knoop doorgehakt en ben op 15 november 1980 naar Malawi gegaan.” .

 

Eenmaal aangekomen in het zuiden  van Malawi  moet Henk eerst de inlandse taal  het Chichewa  gaan leren. Deze inlandse taal werd in 1982 op aandringen van Henk ook de voertaal voor onze dove kinderen terwijl engels als tweede taal gebruikt wordt. “Ik vond , dat deze kinderen vooral in hun natuurlijke omgeving zouden moeten kunnen communiceren”.

 

Henk schat dat er in Malawi op een bevolking van meer dan 10 miljoen inwoners,minstens 3000 dove  kinderen  zijn die speciaal onderwijs nodig hebben.

Henk heeft met zijn medewerkers het speciaal onderwijs voor doven in Malawi uitgebouwd en er zijn nu vier scholen met daaraan gekoppeld een internaat voor een kleine duizend kinderen. De scholen zijn erkend door de regering. Helaas betaalt de regering alleen de salarissen van de leerkrachten en maar 15% van de exploitatiekosten. De salarissen van het verzorgend personeel en 70% van de overige kosten moeten ergens anders gevonden worden..  Voor een deel gebeurt dit door de broeders van Maastricht.

De regering beschouwt deze scholen voor dove kinderen als erg dure instituten. Inderdaad,  in een gewone lagere school zitten soms 150 kinderen in een klas met een onderwijzer Wij vragen tien leerkrachten voor 150 dove kinderen en geld voor water, licht ,transport, voedsel onderhoud en salarissen voor verzorgend personeel. De kinderen  moeten van ver komen en kunnen alleen speciaal onderwijs volgen als zij intern zijn. Ouders van deze  kinderen kunnen dit niet betalen. Het doveninstituut in Malawi is voor zijn voortbestaan  zeker nog lange tijd afhankelijk van fondsen uit het buitenland.” Henk hoopt dat  de mensen uit Veghel  de hand zullen blijven reiken om dove kinderen in Malawi een beetje meer kans op een beetje meer toekomst te geven.

 

Henk zou Henk niet zijn als zijn aandacht zich alleen richtte op het onderwijs aan dove kinderen. Door zijn werk leert hij de mensen in de dorpen kennen. Hij deelt met hen hun lief en leed. In de afgelopen jaren betekende dat ook een forse confrontatie met het aids-probleem, waar ook Malawi ernstig door getroffen is. In het gebied waar hij woont en werkt zijn het de vrouwen die de samenleving dragen.” Het is een matriarchaal ingestelde samenleving, waarin mannen weinig verantwoordelijkheden nemen.”

Henk organiseerde een thuiszorg. die hulp biedt aan terminale  aids-patiënten  Hij vond 32 vrouwen uit de omliggende dorpen  bereid om op  eenvoudige wijze het leed te verzachten en de vele weeskinderen wat meer kans op iets meer toekomst te geven.

“Soms wordt er een baby aangeboden, waarvan de moeder in het “kraambed” =rieten mat overleden is.  Wie helpt er dan nog om deze kindjes een kans op leven te geven? Voor slechts een euro kun je soms  een kind  leven geven”, is het motto van Henk.

Ik ervaar het als een gunst  dat ik de laatste schakel mag zijn tussen gever en ontvanger. Ik zie die blije gezichten van de mensen die ik met de hulp van mijn donateurs kan helpen. “

Henk zorgde er verder voor, dat er in het gebied waterputten werden geslagen.” Sommige vrouwen moeten wel drie kwartier lopen om aan wat water te komen. Schoon drink water zou een universeel recht voor ieder mens moeten zijn”, hoor ik hem zeggen. Zijn strijdbaarheid is nog lang niet verdwenen. “

Hij voelt zich op zijn 80ste nog heel goed thuis in Malawi ondanks alle problemen. Het contrast met Nederland is groot. Twee werelden, die niet met elkaar zijn te vergelijken. Als illustratie vertelt hij :” laatst kwam ik in de Hema in Veghel  een kind tegen, dat iets liep te zoeken. Ik vroeg haar wat zij zocht. Een puntenslijper. Oh, zei ik , die heb ik net nog een zien liggen.,Ik loop naar het vak en geef het kind een prachtige huisvormige puntenslijper. De kind bekijkt de puntenslijper, kijkt me aan en zegt: Maar Mijnheer, die past toch helemaal niet bij mijn kleur. Oho!!! sufferd die ik ben ,dat ik daar niet aan gedacht heb.”

Dit soort problemen kom ik in Malawi nog niet tegen !!

Hij is blij met zijn tweejaarlijkse bezoek aan Nederland om weer eens wat bij te praten met familie en vrienden , weer eens iets anders te eten dan maïs .Tegelijkertijd blijft hij zich inspannen om nieuwe sponsors te vinden voor zijn mensen daar.

Ieder jaar organiseert Henk een grote kerstmaaltijd voor meer dan duizend weeskinderen. “Och ik weet het lost helemaal niks op. De volgende dag hebben ze weer honger,maar laat deze kinderen nou een keer per jaar naar hartelust eten drinken zingen springen dansen blij en in de zevende hemel zijn, ze hebben toch al zo weinig kans om kind te zijn. Ze moeten vaak uren lopen van huis naar school en terug. Ze moeten hout sprokkelen., water halen,voor broertjes en zusjes zorgen. Spelen is luxe. “

Inmiddels heeft hij zijn functie van directeur van het schoolproject overgedragen aan een Malawiaan. Hij zal met de financiële problemen van het dovenproject aan de slag moeten

” Het werk moet doorgaan. Ook als ik er niet meer ben “. Voorlopig staat Henk echter te popelen om weer terug te gaan naar zijn mensen en hoopt hij dat Veghel zijn mensen nu en ook in de toekomst wil blijven helpen. Hij wil blijven vechten voor iets meer recht voor iets meer mensen. Weet je dat ik mij schuldig voel, als er hier in Masikini een kind sterft aan ondervoeding. Dit proberen te voorkomen .  Koste wat kost. Dat is wat hem drijft.

 Helaas stelt Cordaid meer eisen aan het financieren van projecten. Zij moeten ‘problem solving’ zijn. “Maar hoe kan ik daar voor zorgen, als het om basisbehoeften gaat bij weeskinderen ? De steun vanuit Veghel is daarbij hard nodig !!! “

 

Is er vooruitgang te bespeuren? “ Jawel er ligt meer asfalt, de infrastructuur is beter,veel meer kinderen gaan naar school, hoger opgeleide Malawianen beperken zich tot drie/vier kinderen, de mensen gaan beter gekleed. er zijn meer bakstenen huizen met golfplaten i.p.v gras.   Er wordt daar meer gelachen dan in Nederland. Zolang een Malawiaan een keer per dag zijn maag kan vullen blijft ie lachen. Als ie dat niet meer kan , vergaat ook hem/haar het lachen.”

 

Voor meer info : zie website; www.dovenzorgmalawi.nl 

rek.nr. 1253 49 874 tnv.: stg. Dovenzorg malawi te st. Michelsgestel

Of kijk op de website van de broeders van Maastricht: www.Brothers-FIC/Malawi

 

 

Frits Sanders.

22 juni ‘10

terug naar het begin van de pagina 

---------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

 

 

Broeder Jos van Dinther

 

Fri, October 15, 2010 2:44:53 PM

Interview MOV Veghel



 

Interviewvragen  aan broeder Jos van Dinther uit Veghel

 

Waar en wanneer  ben je geboren.

Ik ben geboren in Veghel op 15-12-1948. Wij waren met 5 kinderen. Ik ben de oudste zoon. Er is een zus die ouder is dan ik en drie broers die jonger zijn.

 

Welke scholen heb je gezeten ?

Ik heb in Veghel op de Lambertus school gezeten. Na de lagere school ben ik naar Zevenaar gegaan waar ik op het internaat heb gezeten . Vervolgens naar Maastricht naar de technische school,die onderdeel was van het trainingscollege. Ik heb mijn noviciaat in Maastricht op de Beijart gedaan en daarna werd ik naar Ireland gezonden, waar ik op het technisch College in Bolton street heb gezeten. Daar moest ik de Engelse diploma’s halen want de Nederlandse werden internationaal in de gemenebestlanden niet erkend. Vandaar uit, met voorbereidingen in Nederland ben ik uiteindelijk in 1973 naar Ghana uitgezonden, waar ik nu 37 jaar werkzaam ben.

 

Wat wilde je als kleine jongen worden ?

Ik wilde uitgestuurd worden als bouwer van woningen en gebouwen, maar ik ben opgeleid als meubelmaker.

 

Wanneer maakte je kennis met de broeders van Maastricht ?

Op de lagere school in Veghel waar de broeders les gaven.

 

Heb jij iets van roeping gevoeld en hoe ging dat dan  ?

Ja ik wilde meteen broeder worden. Ik was toen 11 jaar.

 

Wanneer en waarom besloot je om juist bij deze orde in te treden.

Ik kende de broeders van Maastricht en geen andere orde’s.

Ik werd erg aangetrokken door het feit,dat alle broeders een baan hadden. Verder ben ik meer een doener dan een prater. Ik hou ervan om mijn handen uit de mouwen te steken.

 

Wat waren toen  je idealen ?

Ik wilde dus uitgezonden worden om ergens anders te gaan werken, waar nog veel moest gebeuren.

 

Heb je aan deze idealen gestalte kunnen geven en hoe deed je dit dan ?

Ja zeker, wat ik wilde is uitgekomen. Ik heb het zelf gestalte moeten geven.

Er zijn heel wat mensen die me geholpen hebben maar ik had zelf een helder doel voor ogen.

“Mensen in Afrika helpen, die hulp nodig hebben”.

 

Wat is je vak geworden ?

In Ghana ging ik eerste de bouw in. Ik heb meegewerkt om in Nandom een secondary school te bouwen. Nandom ligt in het hoge noorden van Ghana. Het was meteen duidelijk dat er geen vakmensen aanwezig waren, de meeste vakmensen kwamen uit het zuiden van het land. We hebben toen plannen gemaakt om een vakopleiding op te zetten. In Nandom hebben twee medebroeders een technische school opgezet en ik zelf ben met een andere broeder  in een andere plaats, (Kaleo) ook een technische school begonnen. Daar heb ik 19 jaar gewerkt.

 

Wanneer en waarom kwam Afrika in beeld.

Al op de lagere school. Waarom weet ik niet.

 

Wat voor werk doe je en wat heb je gedaan ?

Dus eerst de technische school in Kaleo die steeds groter werd. Daar heb ik ervaren wat het betekent om pionier te zijn. Met veel moeite -zonder stroom en water, en moeilijk bereikbaar want er waren geen goede wegen-  hebben we toch iets opgebouwd en vaklieden opgeleid.

Daarna naar de grote stad Accra, de hoofdstad van Ghana, waar het de bedoeling was hetzelfde te gaan doen. Maar toen kwam ik in contact met de enorme aantallen straatkinderen  in Accra en sinds die tijd (18 jaar) werk ik aan het straatkinderen project CAS. Eigenlijk is dit werk was weer hetzelfde als het werk in het noorden. Iets van de grond af opbouwen zonder enig voorbeeld of aanwijzing. Je hart laten spreken op je gevoel afgaan. Het CAS-project heeft inmiddels een enorme groei doorgemaakt en probeert aan zoveel mogelijk kinderen een toekomst te geven. Misschien is het een druppel op de gloeiende plaat, maar vele druppels geven verlichting en zijn op den duur in staat om stenen te splijten.

Zelfs koningin Beatrix is het fantastische werk van Jos van Dinther niet ontgaan en heeft hem in 2010 gedecoreerd en hem tot ridder in de orde van Oranje Nassau benoemd

 

Ben  je gelukkig met je werk ?

Zeker, want het is opbouwen en je ziet hele mooie resultaten.

 

Wat is het resultaat van je werken ?

Het resultaat is dat kinderen die helemaal geen hoop meer hadden nu iets kunnen gaan leren en daarmee een eigen toekomst kunnen opbouwen.

 

Wat hebben de  ( Afrikaanse mensen)  jou geleerd ?

Ik heb geleerd dat je blij moet zijn met wat je hebt, dat je altijd vriendelijk moet blijven en dat je heel veel geduld moet hebben.

 

Beschouw je jezelf na 37 jaar in Afrika gewerkt te hebben als Afrikaan of Europeaan ? Hoe zit dat als je ouder wordt ?

Ik denk niet dat je een Afrikaan kunt worden. Ik ben immers als een Nederlander geboren. Maar waarschijnlijk pas ik ook niet meer in het Nederlands systeem. Ouder worden hier in Ghana is denk ik hetzelfde als ouder worden in Nederland. Je kunt niet meer alles doen als toen je jonger was. Je moet dingen afstaan aan jongeren. Maar hier hebben ze veel respect voor ouderen.

 

Waar voel jij je thuis en waarom wel of waarom niet?

Ik voel me thuis in Ghana. Hier woon en werk ik. Als ik in Nederland kom, dan kom ik op vakantie en zie dat iedereen daar een ander leven heeft en zich druk maakt over dingen die hier geen aandacht hebben.

 

Kun je de  verschillende streken en de bevolking beschrijven in de gebieden waar je gewerkt hebt?

In het noorden leefde ik met de Dagartis. De meeste Ghanese medebroeders in onze congregatie zijn van die stam. In het zuiden, in de stad Accra leef en werk ik met alle stammen die er in het land zijn. De kinderen komen ook uit verschillende streken. Het is een van onze grootste moeilijkheden om met de verschillende talen op te gaan.

 

Welke taal spreek je daar ?

Er zijn 52 verschillende talen. We hebben medewerkers van verschillende stammen. Engels is daarom de hoofdtaal die we de kinderen ook proberen te leren. Het werken samen met een vertaler is voor mij heel gewoon.

 

Hoeveel stammen zijn er ?  

Er zijn heel veel verschillende stammen, maar sommige horen bij dezelfde stamgroep. Ook komen wij in kontact met kinderen uit de omliggende landen.

 

 

Kun je iets over de cultuur van Ghana vertellen ? Wat zijn hun gewoontes , hun feestdagen , hun manier van omgaan met elkaar.

Dit is een moeilijke vraag want er zijn verschillende culturen. Religie leeft heel sterk. Heel veel mensen zijn lid van een kerk en doen ook mee aan alle organisaties in de kerk. Op iedere straathoek staat wel een kerk. Ze hebben hier heel veel feestdagen, de christelijke maar ook die van de moslims. Er zijn dus heel veel vrije dagen. In het noorden is het drinken van lokaal bier een van de hoogtepunten van zo’n feestdag. In het zuiden is dat veel minder. Er zijn heel veel mensen die de hele dag en avond bezig zijn met hun werk, beter gezegd eigen werk. Familie, in de ruimste betekenis, staat bovenaan aan de lijst, al het andere komt op de tweede plaats.

 

Wat is  moeilijk wennen voor een Europeaan ?  

Als je echt mee doet dan is het heel makkelijk wennen. Het leven in het noorden is niet veel verschillend van het leven in Brabant. De mensen in Ghana zijn heel vriendelijk en geven je meteen aandacht. Wat wel moeilijk is , is dat heel veel mensen zich terughoudend opstellen.1.

 

Is Ghana een democratisch land ?

Ja, op de Ghaneze manier. Je hebt hier twee politieke partijen, of je hoort bij de een of bij de ander.

 

Wat zijn de problemen van Ghana ?

Er zijn in Ghana heel veel rijke mensen en vele armen. Nederlanders zouden eerst aan de voorzieningen werken zoals water, licht, telefoon en wegen. Hier komt dat op de aller laatste plaats. Ik woon al 18 jaar in een wijk waren we nog steeds geen stromend water hebben. Wij vangen regen water op of we kopen water. Onderhoud kennen ze niet. De weg moet eerst helemaal kapot gereden worden voordat er iets gedaan wordt. In ander probleem is dat heel veel mensen veelte veel van de regering verwachten. Er is nu olie gevonden en iedereen denkt dat hij er een deel van krijgt.

 

Is Ghana voor de Europese toerist aantrekkelijk ?

Ja, Ghana is heel aantrekkelijk. Er komen steeds meer toeristen. Maar het blijft een avontuur. Geen water, geen stroom en soms geen bier.

 

Hoe staat Ghana er nu voor ? Wat is er de laatste 10 jaar veranderd ?

Het is economisch beter geworden in Ghana. Alles is te krijgen op de markt, maar de groep mensen die niet meer rond kunnen komen is ook steeds groter geworden. Met deze mensen werken wij. We hebben nu al 20 jaar geen machtsovername’s meer meegemaakt.

 

Welke kansen, mogelijkheden heeft het land. Welke bedreigingen zijn er ?

Dit land heeft heel veel kansen want je ziet de verbeteringen, maar de grootste bedreiging is dat er elk moment een of andere militair de macht weer kan overnemen en het tweede gevaar is dat de chinezen veel te veel overnemen. Ze werken in de huizen en in de wegenbouw. Ze leggen dammen aan etc. Heel veel producten komen nu uit China. De lokale markt wordt helemaal kapot gemaakt. China is in Afrika heel erg actief.

 

Veel Nederlanders zijn nogal sceptisch geworden over ontwikkelingssamenwerking . Wat is jouw mening ?

Dat is heel jammer. Wij merken het erg. Als NGO ( Niet Gouvernementele Organisatie) denken wij dat we het niet lang meer vol kunnen houden. Het vertrouwen is helemaal weg. Maar geloof mij, er wordt heel veel goed gedaan. De armen moeten geholpen worden en die worden niet geholpen als je het geld aan de regering geeft. Zonder financiële steun van elders ziet het er heel slecht uit voor heel veel mensen in Ghana en zal het aantal gelukszoekers op zoek naar de welvaart ongetwijfeld toenemen.

 

 

 

Maakt hulp mensen afhankelijk of brengt het hen ook in hun kracht en hoe doe je dit dan ?

Als je het over straatkinderen hebt of over mensen die in de sloppen wijken leven dan zijn zij heel afhankelijk van steun. Ze komen nooit uit de misère zonder steun. Ik praat hier over de essentiële dingen van het leven zoals eten, water, gezondheid enz.  Of je heb het niet of wel.

Pas als deze basisbehoefte vervuld zijn, kun je met iemand aan ontwikkeling gaan werken.

 

Ken je voorbeelden ? Waar vind jij dat hulp op gericht moet zijn ? De hulp moet gericht zijn op mensen die niets te zeggen hebben maar veel nodig hebben. Voorbeelden kun je vinden op de website van het CAS-project  www.casghana.com . Een mooie site zeker even doen !!!!

 

Wat doe jij met het geld wat door mensen vanuit Veghel gedoneerd wordt ?

Al het geld wordt gebruikt om de straatkinderen een toekomst te bieden.

 

Is er nog veel geld nodig ?

Zonder geld moeten wij ophouden. Wat heel belangrijk is dat mensen in Nederland en elders weer vertrouwen krijgen in de veldwerkers die ter  plekke in Afrika zijn. Zonder vertrouwen kunnen wij niet werken. En geloof al de verhalen niet altijd die journalisten vertellen. Er gebeurd  ergens iets in Oost Afrika en dan denkt iedereen dat, het ook gebeurd in de rest van Afrika. Er zijn 52 verschillende Afrikaanse landen die allemaal anders zijn.

 

Kunnen de projecten die je  gestart bent zelfstandig verder  ? 

De technische school gaat gewoon door. Het straatkinderen project gaat ook zonder mij door maar niet zonder financiële steun.

 

Moeten wij ze vanuit Veghel blijven steunen ?

Ja, mensen in Veghel moeten arme mensen in Ghana altijd blijven steunen. Het zou goed zijn dat de voorlichting in Veghel beter wordt. Ondanks TV en video’s blijft de kennis van en over Ghana heel beperkt. Ik graag meewerken om deze informatiekloof te dichten.

 

Hoe kunnen wij steunen?

Financieel steun is het beste want goederen oversturen kost ook een hoop geld en heel veel dingen zijn nu te koop in Ghana.

 

Tot slot wat vind je van de ontwikkelingen in de kerk, zoals deze zich in de laatste jaren hebben voorgedaan ?

Wij zitten midden in de veranderingen in de kerk en onze opleiding als religieuzen. Ik denk dat er nog veel meer moet veranderen. Als voorbeeld, de aandacht voor de jeugd is nog zeer beperkt. De kerk kijk alleen naar de jeugd de in het gareel loopt, maar de jeugd die niet naar de kerk gaat wordt vergeten. De oude vorm van kerk zijn moet helemaal veranderen volgens mij. De kerk is er niet alleen voor diegene die het aanspreekt maar ook voor hen die moeilijkheden hebben met de regels van het instituut kerk.

 

Wat heeft het met jou gedaan om te horen dat er veel geestelijken zijn geweest die hun handen niet van kinderen konden afhouden ?

Ik heb het zelf in mindere mate meegemaakt in Veghel. Ik heb er van geleerd dat je je handen thuis moet houden. Ik raak niet gauw een kind aan want je weet nooit hoe dat kind dat ervaart. Het is jammer dat het zolang geduurd heeft voordat het bekend werd in Europa.

 

Komt dit ook in Afrika/ Ghana voor ?

Hier in Ghana gebeuren ook dingen die niet door de beugel kunnen.

 

Hoe reageert de afrikaan er op?

Die denkt er het zijne van. Ik denk dat die problemen hier ook wel eens naar voren komen.

 

Hoe ervaar jij het om in Ghana gedecoreerd te worden met een ridderschap in de Orde van Oranje Nassau ?

Dat was een hele ervaring. Een erkenning dat er toch wat gedaan is niet alleen door mij maar door de hele ploeg. De meeste medewerkers zijn al 17 jaar bij CAS.

 

Is het leven geworden wat  je ervan verwachtte ?

Ja zeker, Maar er moet nog veel gedaan worden.

 

Wat voor cijfer zou je het willen geven ?

Een acht met het vooruitzicht op nieuwe uitdagingen.  

 

Is er nog iets waarover je mij zo willen vertellen, wat nu niet aan de orde is geweest

Zoals jullie wel kunnen zien, het religieuze leven in Nederland  wordt steeds minder. Wij zien hier steeds meer jonge Nederlanders komen die toch iets willen gaan doen. Dat vind ik prachtig maar het is jammer dat die mensen niet goed worden voorbereidt. Ze zouden veel meer kunnen doen als ze zich eerst verdiepen in de ontwikkeling van de mensen in Ghana. Ghaneze mensen moeten hun eigen land opbouwen maar het kan met de hulp van Nederlanders. Niet anders om. Nederlanders kunnen Ghana niet veranderen met de hulp van Ghanezen.

 

Het is nog een heel verhaal geworden en ik hoop dat mijn Nederlands te lezen is.

 

Bro. Jos

 

Als u rond de feestdagen misschien nog wat over hebt en onze Veghelse held  broeder Jos van Dinther  zou willen steunen in Ghana , dan kunt u gebruik maken onderstaand rekeningnummer

 

Stichting Congregatie Brothers F.I.C.
Burg. Cortenstraat 26, 6226 GV Maastricht . Tel. 043-3508377

ING Bank no. 679411402  Stichting Congregatie Brothers F.I.C.      t.bv. CAS-proj.   Jos van Dinther

Vrijthof 45, 6211 LE Maastricht
Swift code: OR BIC: INGBNL2A
IBAN: NL 59 INGB 0679411402

 

 

terug naar het begin van de pagina 

-------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

Interview  met witte Pater Martin van de Ven.

 

Op een uiterst warme vrijdagmiddag in de zomer van 2010 met tropische temperaturen tot

35 c rij ik voor een interviewafspraak met Martin van de Ven naar verzorgingshuis st. Charles in Heythuizen ( L).

 

Martin is hier enkele maanden geleden na zijn terugkeer uit Tanzania  neergestreken.

In het moderne verzorgingshuis wonen  zo’n 40 witte paters en broeders. Als gevolg van nieuwe Nederlandse wetgeving voldeden de oude verblijven niet meer en is er renovatie en nieuwbouw gepleegd. Naast de  paters en broeders  zijn er nog een 40 tal ouderen uit Heythuizen of omgeving op zorgindicatie gehuisvest.

Martin is opgetogen. Ik heb in mijn hele leven nog nooit zo luxe gewoond.

Met veel enthousiasme geeft hij mij een rondleiding  door de nieuwbouw en het daarmee verbonden oude klooster wat de Witte Paters zo’n 20 jaar  geleden van een congregatie van zusters hebben overgenomen met als bestemming zorg bieden aan oudere confraters, waarvan velen een leven als missionaris achter de rug hebben.

Martin heeft een mooie hoekkamer met uitzicht naar twee kanten over de omgeving.

 De airco in het gebouw zorgt,dat het er goed toeven is.

 

Hij vertelt mij op 6 april 1934 in Veghel geboren te zijn. “Ik ben de enige van ons gezin van 10 kinderen die in Veghel geboren is en ik heb er slechts 1 jaar gewoond “ begint hij ons gesprek op curieuze wijze. “Ons gezin verhuisde in 1935 naar Wanroy. Daar zijn al mijn broers en zussen geboren.” Dus volgde Martin  in Wanroy de zevenklassige  lagere school.

Toen hij 13 was verhuisde het gezin weer terug naar Veghel en kwamen ze in mei 1947 in het ouderlijk huis van opa en oma aan de Zeven Eikenlaan 29 te Veghel te wonen. Hij wist toen al dat hij witte pater wilde worden. Zijn twee heerooms , die ook witte pater waren één in Burkino Fasso en één in Tanzania oefenden met hun prachtig wit gewaad een magische aantrekkingskracht op hem uit en naar Afrika gaan was avontuurlijk en maakte de jongensdroom compleet. “Als kind wilde ik al naar de missie”, zo voegt hij mij toe.

Ook de tijdsgeest was zo vlak na de oorlog uitermate optimistisch. De verenigde naties waren opgericht en met gezamenlijke inspanning van iedereen  zouden de wereldproblemen opgelost worden. Dat was slechts een kwestie van tijd en geld !!

“ In Veghel ben ik toen nog een paar maanden naar de broederschool gegaan en in sept 1947 vervolgens naar st. Paul ,het klein seminarie van de Witte Paters in het mooie Sterksel.

Ik kwam alleen in vakanties thuis.”, vertelt Martin.

Alle broers en zussen ,waarvan hij er nu nog 7 heeft,  wonen in Veghel en Mariaheide en door al die familie heeft hij nog een hele sterke verbondenheid met Veghel.

 

Hoe verliep de opleiding verder?

Ik ben 4 jaar in Sterksel geweest en vervolgens 2 jaar naar Santpoort , waar ik mijn gymnasium opleiding heb afgerond. Daarna heb ik 2 jaar filosofie gestudeerd in huize st. Charles in Boxtel. . Voor 1 jaar noviciaat en 1 jaar theologie ging hij naar ’s Heerenberg.

Omdat de witte paters een internationale gemeenschap zijn werd de theologie nog 3 jaar voortgezet in Totteridge ( noord Londen) Engeland.

Op 2 februari 1961 werd ik uiteindelijk met 15 andere Nederlandse collega witte paters priester gewijd door monseigneur Bekkers in de st. Lambertus kerk te Veghel.

“ Ik voelde mij een missionaris, een gezondene, door God, door mijn Sociëteit van de Witte Paters en door de Kerk, om dat ideaal van die Christus van Nazareth om van deze wereld een beter leefbare wereld te maken uit te dragen.

 

Waarom in Veghel gewijd , vraag ik hem met enige verbazing ?

In die tijd wilde de kerk graag wat meer regionaliseren en Pastoor Mgr. Teurlings, de latere bisschop mgr. Bluyssen en Louis de Rooy, die toen in Veghel kapelaan waren, sprongen hier op in en haalde de wijding naar Veghel toe.

Volgend jaar is onze groep 50 jaar priester en we zouden dat feest als het kan graag weer met een plechtige mis in Veghel willen vieren.  We moeten nog even kijken wanneer iedereen aanwezig kan zijn, want verschillende van ons zijn nog in Afrika werkzaam. Zij zullen echter voor deze speciale gelegenheid naar Nederland komen. “. Wordt vervolgd , zo belooft hij.

Wordt vervolgd , zeg ook ik. Een mooie gelegenheid om daar vanuit de Veghelse gemeenschap iets moois van te gaan maken.

 

Hoe ging je leven toen verder ?

Aanvankelijk zag het er na mijn wijding naar uit, dat ik eerst docent op het klein seminarie in Sterksel zou worden, maar gelukkig ging dat niet door. Ik mocht uiteindelijk toch naar Afrika, naar de missie in Tanzania. Mijn oom Jan Hendriks, ook wp in Tanzania, zorgde ervoor dat ik de door mij zo gewenste plaats in Mwanza kreeg. “Ik wilde daar graag gaan werken bij bisschop  mgr. Joseph Blomjous. Hij had een interculturele visie op hoe de kerk zich in Afrika zou moeten presenteren. Later werd deze visie op het Vaticaans concilie min of meer  bevestigd. “ Ik ben er altijd van overtuigd geweest, dat wij geen Latijnse kerk naar de mensen in Tanzania moesten gaan brengen, maar dat wij moesten aansluiten bij hun cultuur en beleving. Dit betekende o.a. dat we veel gebruik maakte van hun liederen, muziek en aansloten bij hun culturele feestdagen.. Mgr. Blomjous benoemde in 1954 een jonge Canadese Wittte Pater David Clement als pastoor in Bujora met de opdracht te proberen de taal en kultuur van de Wasukuma te intregeren in de liturgie. Hij richte de zang- en dansgroep Bana-Sesilia op, de aanzet tot het huidige Bujora Cultureel Centrum.

Mijn opvatting is dat het christendom , met haar boodschap van liefde en een God die zich om de mens bekommerd ,een aanvulling moet zijn op andere culturen en religies. Ik heb in mijn leven vreselijk veel van de mensen in Tanzania geleerd veel meer dan ik hun heb kunnen leren.

Door hun cultuur is mijn leven verrijkt. Ik heb geleerd te relativeren . Ik ben mijn westers superioriteitsgevoel kwijt geraakt en besef terdege dat Nederland niet meer dan een klein stipje op de wereldbol is.

 Ik vond het ook geweldig dat ik daar de ruimte kreeg om het interculturele aspect vorm te geven, zonder gehinderd te worden door teveel regels en structuren.

 

Hoe begon je ?

“Ik ben op 9 dec. 1961 de dag dat Tanzania onafhankelijk werd in het bisdom Mwanza aangekomen. Ik ben eerst begonnen om mij de taal het wasukuma eigen te maken. Als je de taal van de mensen niet spreekt kun je ook geen contact maken. Ik ging daarvoor een maand in het gezin van een katechist wonen. Hij kende enkele woorden engels. Ik liet hem het scheppingsverhaal vertellen en kon aan de hand van de woorden, die hij gebruikte, de engelse vertaling maken.

Allemaal niet gemakkelijk, want kisukuma is en klanktaal  en juist het verschil in toonhoogte kan een andere betekenis of zinswending geven. Later leerde ik ook het kiswahili, de taal die tegenwoordig in heel Tanzania gesproken wordt.

Ik begon in de pastoraal in Kahangala en Bujora. Na een paar jaar werd ik gevraagd om wiskunde les te gaan geven aan het seminarie in Nyegezi. Na 2 jaar mocht ik pastoor zijn in Sengerema. Ik bleef er 16 jaar en deed het met hart en ziel. De bevolking groeide in die tijd van 2.000 naar zo’n 48.000  mensen. In 1980 vroeg de bisschop mij om econoom van het bisdom Mwanza te worden. Dit deed ik 5 jaar. Vervolgens had de Nederlandse provincie van de witte paters een econoom nodig.  7 jaar lang moest ik hiervoor in Nederland verblijven. Ik begeleidde de verhuizingen van  onze paters naar verschillende plaatsen in het land, terwijl onze vestiging in Boxtel moest worden afgebouwd. Eind 1992 ben ik weer teruggegaan naar 

Tanzania. Na een jaar pastoraal werk in een parochie werd ik weer benoemd tot provinciaal econoom bij de witte paters maar nu van de provincie Tanzania/Kenia/Sudan tot juli 2001’ .

Terug op vakantie in Nederland bleek er plotseling dringend behoefte te zijn aan iemand die de financiële administratie bij ging houden. ´ In september 2003 ben ik weer teruggekeerd naar  Bujora in Tanzania en heb ik naast pastoraal werk ook onderzoek mogen doen naar taal, godsdienst en gebruiken van de Sukuma stam en heb mee mogen helpen aan het opzetten van een cultureel centrum,waar de geschiedenis en de traditie van de Sukuma stam ( ± 6 miljoen mensen) zijn vastgelegd.

Je kunt het een openluchtmuseum noemen. Ik vind het heel belangrijk, dat de culturele identiteit van het volk wordt vastgelegd voor later. Naast de westerse toeristen bezoeken steeds meer mensen van Tanzania, Kenya en Uganda dit centrum.´

Zijn culturele betrokkenheid is door de Sukuma’s erg gewaardeerd. Vaak waren zij verbaasd over zijn grote kennis van hun taal. “Je lijkt wel een van ons’, was vaak hun reactie.

Later werd hij opgenomen in de traditionele assemblee van dorpsoudsten en leerde hij hiervoor een speciale taal, die alleen in deze groep wordt gesproken. Een grotere eer en een mooiere kroon op het werk is eigenlijk niet denkbaar.

 

Hoe kijk je aan tegen de ontwikkelingen in Tanzania ?

Deze zijn  in de laatste 50 jaar gigantisch geweest. President Nyerere is er in zijn presidentschap in geslaagd om het land van meer dan 200 stammen/volkeren met allemaal een eigen taal tot een eenheid te maken.  Hij heeft het land  met heel weinig middelen, maar met heel veel enthousiasme , creativiteit en doorzettingsvermogen gealfabetiseerd en ervoor gezorgd, dat iedereen het kiswahili als nationale taal spreektt. Zelfs kinderen van minder bedeelde ouders hebben nu toegang tot een hogere opleiding.

In Tanzania leven de verschillende culturele groepen vreedzaam naast elkaar.

Tanzania is een land met weinig  natuurlijke hulpbronnen. Het is afhankelijk van landbouw en visserij. Er is  opkomend toerisme , maar de kredietcrisis heeft roet in hete ten gegooid.

 

Omdat Nyerere het één partijstelsel hanteerde om de eenheid van het volk te bevorderen, werd hij door westerse landen vaak bestempeld als een vriend van China. Het enige land overigens wat hem wel geld wilde geven om de infrastructuur in het land te verbeteren.

Te vaak bleef daarvoor  westerse steun uit .

In Tanzania is sprake van een enorme bevolkingsexplosie. Het bevolkingsaantal groeit met 2,6 % per jaar. Er is sprake van een  zéér jonge bevolking en een sterke trek naar de steden.

Zo groeide Mwanza  uit van een stad van 35.000 inwoners toen Martin er in 1962 uit de trein stapte naar een stad van nu meer dan een miljoen inwoners met een aanwas van 11,6% per jaar. Het zal iedereen duidelijk zijn, dat dit soort processen ook geweldige problemen met zich meebrengen. Er is steeds minder land om te bebouwen en al die mensen zijn op zoek naar werk en eten.

Martin vraagt zich af of ons westers democratisch model voor ontwikkelingslanden wel het meest passende model is. Zijn ervaringen met het éénpartijenstelsel (meer eenbeweging) in  de ontwikkelingsfase van Tanzania zijn positief.  Oude al jarenlang bestaande overlegstructuren zijn ook van belang en moeten niet zo maar weggevaagd worden.

 

Hoe kijk je tegen ontwikkelingshulp aan ?

Als je ervan overtuigd bent dat christelijke waarden een dimensie kunnen toevoegen aan een persoonlijkheid is het brengen van geloof ontwikkelingswerk. Je hebt als missionaris te maken met de hele mens als individu en als lid van de gemeenschap. Het  “overbrengen van geloof” en “ontwikkelingswerk”  zijn  daarom niet te scheiden.

 “Ik heb in de omgeving waarin ik werkzaam was verschillende voorbeelden gezien van hoe ontwikkelingshulp niet moet. Westerse landen hebben met al hun know how soms de neiging om op de westerse tekentafels projecten te bedenken, die dan met veel westers geld in Afrika gerealiseerd moeten worden.De Wasukuma verbouwen Cassava/Manioc die dient als een soort voedselbank wanneer mais- en rijstoogst mislukt.  Zo kwam men in Europa op de gedachte om van casava stijfsel producten te maken. Een grote fabriek werd er neer geplant en vervolgens blijkt de bevolking er niets mee te hebben en staat de fabriek alleen maar symbool  voor de goede , maar niet met de bevolking afgestemde bedoelingen.

Ik ben er meer voorstander van dat ontwikkelingshulp gericht is op het versterken van infrastructuur, waaraan het land zelf aangeeft behoefte te hebben en dat projecten zo veel mogelijk door hen zelf  worden uitgevoerd.

Hij geeft een voorbeeld: “Als een land zich ontwikkelt wordt het drukker op de wegen.

Waar eerst alleen maar mensen en koeien elkaar hoefden te passeren was het eenvoudig. Nu ook fietsen, moterfietsen , auto’s enz. aan het “verkeer” deelnemen moet er een weg worden aangelgd. Om chaos te voorkomen zijn er verkeersregels nodig . Om deze te kunnen handhaven heb je verkeersborden en ook toezichthouders nodig. Maar wanneer controle hierop  ontbreekt hebben de verkeersregels geen betekenis meer. Naar mate een samenleving complexer wordt , neemt de behoefte aan infrastructuur verder toe. Een ontwikkelingsland in dit proces de middelen geven vind ik zinvol.

 

Hij kan zich ergeren over de grote verschillen in de wereld:  een vijfde van de wereldbevolking bezit vier vijfde van de wereld welvaart en vier vijfde moet het met een vijfde doen. En die een vijfde die al bijna alles bezit wil dit wel graag zo houden.

Hij had gehoopt dat mensen in het westen beter zouden begrijpen, dat leven en uiteindelijk ook overleven een kwestie is van samenleven.

Het is niet uit te leggen aan de mensen in Tanzania waarom de melk van gesubsidieerde koeien uit Europa die in hun supermarkt ligt goedkoper is  dan hun eigen melk en waarom de katoenprijs op de wereldmarkt alleen maar daalt, zodat er voor hen geen lonend bestaan meer overblijft. Zo kan geen enkel volk zich ontwikkelen en evolueert armoede van 2 maaltijden per dag naar 1 maaltijd en soms nog minder.

 

Is je leven geworden van wat je ervan verwachtte ?

Hij begint mij te vertellen hoe hij in 1962 in Afrika aankwam en er zoveel anders was dan hij eigenlijk verwachtte. Wat hem bij de ontvangst in Mwanza toen het meest geraakt heeft en waar hij nog altijd emotioneel van wordt is de wijze waarop hij door bisschop Blomjous en hulp-bisschop Butibubage echt welkom werd geheten. Het was daar een samenleving zonder hiërarchie. Je werd er geaccepteerd zoals je was. Als je iets tot stand wilde brengen, kon dat zonder bureaucratie. Ik voelde mij er als een vis in het water en als een vogel in de lucht.

Ik heb veel gekregen van de mensen met wie ik gewerkt heb en daarmee bedoel ik de mensen in Tanzania en mijn collega broeders en paters van de congregatie van de Witte Paters van Lavigerie.  Martin is te bescheiden om zelf een cijfer aan zijn leven te geven. “Dat moeten anderen maar doen, voegt hij mij toe. Maar  een tevreden man is hij wel en daar past best het cijfer 9 bij. Als ik het over mocht doen, zou ik het met nog meer energie en plezier doen.

 

Voel je jezelf  Europeaan of Afrikaan.

Martin en ik vinden het jammer, dat het bij het WK-voetbal  in Zuid-Afrika net niet gekomen is tot een heerlijke voetbalwedstrijd tussen Ghana en Oranje. Natuurlijk is hij oranjefan, maar als Ghana gewonnen zou hebben zou hij zeker ook dik tevreden zijn geweest.

Natuurlijk ben ik Europeaan. Je wordt nooit een Afrikaan. Dat moet je ook niet willen. Je moet op een gezonde manier vasthouden aan je eigen culturele achtergrond , maar wel de ontmoeting aangaan met mensen uit andere culturen en daarmee jezelf weer verrijken.

Dat kun je hier in Europa en ook in Afrika doen.

 

Hoe gaat het nu met je ?

Martin vertelt, dat hij op dit moment aan het inburgeren is.

Hij merkt net als zijn collega’s, dat dit een proces is wat zeker een jaar of drie in beslag neemt. Ook hier heeft de tijd niet stil gestaan en is er in religiositeit, mentaliteit en het politiek klimaat veel veranderd. Ik kijk nog maar niet teveel TV.  Dat is een confrontatie waarbij ik nog niet alles een goede plaats kan geven. Maar ook al ben ik 76 , ik kom er wel.

Ik leef matig en doe er alles aan om fit te blijven. Ook hier zal ik mijn weg wel weer vinden.

Ik ben al heel wat gewend in mijn leven.

 

Ik ben nu mantelzorger voor mijn confraters, die mijn hulp nodig hebben. Gelukkig kan ik zelf nog goed vooruit. Ik hoop nog een aantal jaren te kunnen genieten.

 

In de loop der jaren heeft Martin een enorm netwerk opgebouwd. In zijn database staan meer dan 2000 namen ,adressen én geboortedata. Iedereen krijgt op zijn verjaardag een e-mailtje met zijn persoonlijke gelukswensen.

 

Een bijzondere man en een gesprek wat we na twee uur praten hebben beëindigd , maar waarbij onze gespreksstof nog lang niet op was.

 

Martin blijft  Tanzania steunen. Hij en zijn confraters proberen dit te o.a. doen door het verstrekken van microkredieten aan mensen  die zij kennen en die de handen uit de mouwen willen steken.

Wilt u Martin hiermee steunen , dan kan dit door geld over te maken  op:

Rek. nr.  

Of               ING                1071250

           

                vermeld daarbij : M.v.d. Ven  “helpen die het net niet kan halen “

 

interviewer

Frits Sanders .        

 

 

Pater Martien van de Ven is 13 februari 2017 overleden.

 

 

terug naar het begin van de pagina  

 

-------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

 

 

 “Dromen zijn bedrog”

In gesprek met witte broeder Harry Schellen uit Veghel

Op een mooie zomermiddag in juli 2011 ontmoet ik samen met mijn vrouw  Witte Broeder Harry Schellen in Dongen. Hij is lid van de congregatie van de missionarissen van Afrika

De Witte Paters hebben in 2002 het pand aan de Modestuslaan in Dongen gekocht waar vroeger de broeders van Dongen hun klooster en onderwijsinstituut hadden gevestigd en waar heel wat gerenommeerde onderwijzers zijn opgeleid. Het huis functioneert als een soort doorgangshuis. Confraters, die uit Afrika op vakantie komen vinden er een onderdak. Er verblijven verder nog een zestal Witte Paters en Broeders ( 70 plussers) permanent als vaste staf, waaronder broeder Harry. In het centrum is ook de administratie van de Nederlandse afdeling van de Witte Paters gevestigd. Het is een mooi oud pand met een mooie binnentuin waar het goed toeven is. Harry heeft er voor gezorgd dat op elektrisch gebied alles goed op orde is en dat alle kamers zijn aangesloten op internet, waarvan Harry ook graag gebruik van maakt.

Harry Schellen werd geboren aan de Hoofdstraat 39 in Veghel op 24 aug. 1932. Zijn vader was procuratiehouder bij de NCB en moeder was een dochter van bakker van de Sande. Het gezin bestond uit 5 kinderen. Wim +, Mia +, Francien, Harry en Sjef +. Een zus van moeder trouwde met Franssen, waardoor Harry Franssen ( Witte Pater) een neef van deze Harry is en zijn zus Francien +     ( Witte Zuster) een nicht.

Harry ging uiteraard in Veghel bij de broeders van Maastricht op school en kent daarvan zoals zoveel oude Veghelaren nog broeder “ Pinda “. Op jonge leeftijd droomt hij ervan om “Pater op blote voeten “ te worden. Hoe hij bij de Witte Paters terecht kwam, kan hij eigenlijk niet precies zeggen. Het moet ergens toch in de genen hebben gezeten. Hij vertelt over invloeden die van belang kunnen zijn geweest. Over Pater Völker uit Veghel ( geb. 1900) wiens vader burgemeester was en die de eerste algemene overste van de Witte Paters werd. En over een Witte Pater, die hij op een bedrijven beurs in 1946 ontmoette en indruk op hem maakte en de zondagse familie bijeenkomsten, waar uiteraard ook gesproken werd over de weg  welke zijn neef Harry Fransen al eerder was ingeslagen.

In 1944 stapt Harry met zijn moeder naar Deken Franssen in Veghel, waarbij moeder de Deken meedeelde, dat haar zoon naar ’t seminarie wilde. Niet dat van ’t bisdom , waar al drie neven met de naam Verhoeven naar toe waren gegaan, maar naar de Witte Paters in Sterksel.

Harry deed nog een zevende klas in Veghel en kon in 1946 in Sterksel starten. Hij had niet direct een vliegende start. Moest in 4 jaar 2 maal doubleren en men stippelde toen voor hem een andere weg uit, waarbij hij de weg van het broeders postulaat ging volgen. Maar eerst bleef hij nog een jaartje thuis om als volontaire elektra ( zijn hobby) op de CHV te werken.

 In 1952 startte hij met zijn postulaat in st. Charles Boxtel en ging van 1953 tot 1955 naar het noviciaat in ’s Heerenberg.  Een klooster wat later werd doorverkocht aan de Salesianen en weer later bekend werd onder de naam “Gouden Handen “.  In 1955 legt hij zijn 1e eed af en vervolgens zet hij zijn opleiding voort in het klooster Mariënthal ( Lux) en opnieuw ’s Heerenberg  en Santpoort, waar hij in de winteravonden cursussen elektra volgt om uiteindelijk met een volwaardig diploma zijn studies in 1961 af te ronden. Hij is dan een allround vakman die op velerlei gebied thuis is, met elektra als specialiteit.

In mei 1961 wordt hij benoemd voor het nog toenmalige Tanganyika, waar hij nog net voor de onafhankelijkheid van Tanzania ( dec. 1961) arriveert (sept). Hij volgt een half jaar cursussen in Sumbawanga en Tabora om het Swahili, de inlandse taal, te leren.

Vervolgens gaat hij aan de slag. Hij wordt er op uit gestuurd om op diverse plaatsen elektriciteit en water aan te leggen m.b.h. generatoren en turbine’s. Eerst in het bisdom Sumbawanga, maar later ook in andere bisdommen. Overal brengt hij licht in de duisternis ten behoeve de missieposten, scholen en ziekenhuizen. Zo reist hij vanaf 1967, na zijn eerste vakantie met een volkswagenbusje volgestouwd met materialen door het heel Tanzania en ook Oeganda wordt aangedaan. Moeiteloos somt hij  de plaatsen op waar hij gewerkt heeft: Kabanga;Rubenge; Bugene; Isingiro;Karema; Apenad; Tabora; Mwanza; Bukumbi; Kampala; Dar es Salaam. Zo ontmoet hij veel mensen, brengt  veel berichten over, maar heeft nergens echt een vaste stek.

Eind jaren ’70 gaat Harry op retraite en vakantie en verblijft hij een half jaar in het huis van de Witte Paters  “Sainte Aanne”in Jeruzalem.  Hij vond het een belevenis om juist daar in Jerusalem  en Palestina rond te kunnen lopen op de plekken waar Jezus gewoond en geleefd heeft. In 1983 komt hij er nog een keer terug voor een 30 daagse retraite en bijbelcursus.  In de volksmond gaat over de Witte Paters de uitspraak rond: Join the White Fathers and see the world” . Een uitspraak die op de dag van vandaag nog wervend zou kunnen zijn en die veel Witte Paters zo hebben mogen beleven.

Vanaf 1985 heeft hij in het bisdom Sumbawanga meegeholpen aan de bouw van 3 kerken met kerktorens, een ziekenhuisje, scholen, zustershuizen en een pastorie. Sumbawanga is nu een stad van ongeveer 150.00 inwoners en is hoog gelegen ( 1800 meter) aan het Tangayika meer. Harry kan er boeiend over vertellen en laat ons foto’s zien van wat hij gebouwd heeft.

Als ik hem vraag hoe Tanzania er nu bij staat, vertelt hij hoe het land door het spreken van één taal een eenheid is gebleven. Van belang is verder, dat het land voor meer dan 90 % is gealfabetiseerd . Met het oog van een bouwvakker vertelt hij mij, dat je de ontwikkeling van het land ook kunt waarnemen aan de huizen. Hij licht toe; vroeger waren alle huizen met gras bedekt, nu hebben praktisch alle huizen minimaal een dak van golfplaten. Hij vertelt verder, dat in het land steeds meer delfstoffen worden gevonden, waarvoor harde valuta worden betaald. Hierdoor zal het land straks ook op eigen benen kunnen staan.

Zijn inburgering in Nederland vanaf 2002 is redelijk goed verlopen. Al reizend heeft hij afscheid genomen van het land Tanzania en de mensen daar  en in Dongen heeft hij weer de volgende klus op zich genomen.

Met zijn gezondheid gaat het goed, al heeft hij twee jaar geleden een hersenbloeding gehad, waarvan hij wel weer goed is opgeknapt. Maar sindsdien klimt hij niet meer op de fiets.

Harry vertelt zijn confraters graag over Veghel. Het dorp waar hij trots op is, al zegt hij ook: “ik ken het huidige Veghel eigenlijk niet “.  Hoewel bescheiden is hij wel een vlotte prater. De middag vliegt dan ook voorbij.

Als hobby heeft hij het verzamelen van “wapens” van bisschoppen. Zo bezit hij de wapens van alle Nederlandse bisschoppen die er in de loop der tijden zijn geweest. Verder ook de “wapens”van de bisschoppen die Witte Pater zijn/waren en de wapens van bisschoppen in Tanzania, dat op dit moment 30 bisdommen telt.

Harry kijkt met plezier terug op zijn leven en werken. Is tevreden over wat hij heeft kunnen doen, voelde zich thuis in Tanzania en in de congregatie van de Witte Paters en is nu thuis in Dongen.

Juli 2011

Frits Sanders

 

Naschrift redactie Website:

 

In het interview met Harry Schellen staat (in alinea 4) dat de Witte pater, Leo Völker (1906-1970), een zoon zou zijn van Marianus Völker oud burgemeester van Veghel. 

Uit informatie die door een van de lezers daarna is aangeboden blijkt dat de gegevens iets anders zijn. Oud burgemeester Völker was ongehuwd. Leo was de zoon van Herman Völker, de broer van Marianus. Herman Völker had samen met een andere broer, Johan Völker, een melkfabriek.Hij is ook niet geboren in 1900 maar in 1906.

 

 

terug naar het begin van de pagina  

-------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

photo: Nick van Wouwen

 

 

 

Op een sombere maandagmorgen in juli hebben we een afspraak in Veghel. Albert is op vakantie in Nederland en logeert bij een zus in het Veghelse. We zetten ons aan de koffie voor een lang gesprek, want Albert heeft veel te vertellen.

Hij is geboren op 14 maart 1942 aan het Middegaal 24/26 in Veghel. Zijn vader was een keuterboer van een paar ha. Hij kwam van het buurtschap Hazelberg – tussen Vorstenbosch en Dinther. Moeder was een dochter van v.d. Wetering en ook afkomstig van hetzelfde buurtschap. Zij trouwden in 1941 en al rap werd Albert door de ooievaar bij hen afgezet. Er zouden nog 3 jongens, waarbij een tweeling en 3 meisjes volgen. Zijn oudste zus is helaas overleden in 2002. Alle familieleden wonen nog in de omgeving van Veghel.

Zoals alle jongens ging ook Albert naar de Aloysiusschool van de broeders van Maastricht. Op verzoek van pastoor Clercks kwamen er in 1879 drie broeders naar Veghel om les te komen geven en al gauw volgden er meer. Albert blonk uit in het niet kunnen zingen. Nog altijd laat hij het voorzingen graag aan anderen over. Al is hij wat muzikaliteit betreft een dieptepunt toch ging hij op slinkse wijze op het eindexamen kweekschool met een 6 aan de haal. Op jonge leeftijd voelde hij zich aangetrokken tot het kloosterkleed en het onderwijzer schap. Daarom maakte hij zelf de keuze om in Maastricht bij de broeders verder te gaan studeren, waar hij het diploma Ulo en Kweekschool ( 1961) in de wacht sleepte. Albert vertelt, dat er in die tijd zoveel Veghelse jongens in Maastricht studeerden, dat de ouders voor een ouderdag een bus afhuurden, waarmee zij gezamenlijk hun zonen gingen bezoeken. Het feit, dat er in Veghel geen vervolgonderwijs beschikbaar was en de goede naam, die de broeders hadden opgebouwd, speelden hier waarschijnlijk een rol in. De broeders ontwikkelden via hun kweekschool een lesmethode en schoolsysteem, dat zij overal konden uitrollen. Later ontdekte Albert ook de beperkingen hiervan.

Na het postulaat en noviciaat en enkele ervaringsjaren legde hij in 1968 zijn eeuwige professie af. Hierbij is hij niet over een nacht ijs gegaan. In de periode 1963 -1970 veranderde er erg veel in kerk en maatschappij. In de kerk werden door Johannes XX111 de luiken ver open gezet, maar ook in de maatschappij werden de nodige heilige huisjes om ver gekegeld. Het was de tijd van rellen en studentenopstanden. Ook de tijd waarin veel religieuzen uit hun congregaties stapten en terugkeerden naar de burgermaatschappij. Ook in zijn eigen congregatie heerste verwarring. Een collega stuurde Albert een brief, waarin hij hem zijn motieven uiteenzette voor zijn besluit om geen eeuwige professie af te leggen en het broederschap op te geven en vroeg hem zich bij hem aan te sluiten. Het was juist deze brief, die Albert over de streep trok om definitief tot de congregatie toe te treden. Hij vond de motieven van zijn collega niet echt steekhoudend en zette er andere argumenten en idealen tegenover, die zijn beslissing positief deden uitvallen. Zijn ideaal was onderwijs te gaan geven aan armen in de 3e wereld.

In 1963 - nog groen als gras – werd hij benoemd aan een lagere school in de binnenstad van Amsterdam, waar hij gelijk kennis kon nemen hoe de wereld nu werkelijk in elkaar zat. Alsof dit nog niet genoeg was werd hij in de periode ’65-’66 als broeder-onderwijzer aan een school in Rotterdam verbonden, waar hij ook nog muziekonderwijs mocht geven!!  Toen hij deze twee tests met glans had doorstaan, werd hij na enig vijven en zessen rondom zijn recht op toelating door zijn congregatie naar de Universiteit van Dublin gestuurd om daar Engels, Frans en Wiskunde te gaan studeren. Zijn vader zei hem: “jongen wa gudde toch doen, gij over dè grauwt watter ! “ In de periode ’66 – ’70 was Albert student en maakte hij ook in Dublin de studentenprotesten mee.

In 1965 had de congregatie van de broeders van Maastricht zich op uitnodiging van de Afrikaanse bisschop  Peter Dery gevestigd in het Noordwesten van Ghana tegen de grens met Burkina Faso. Als broeders in Ghana was hun eerste opdracht om inlands religieus leven op te bouwen door het overnemen van een bestaande inlandse congregatie: Broeders van St. Joseph genaamd. Deze opdracht heeft altijd zijn stempel gedrukt op het “zijn” en het onderwijs van de broeders in Ghana. Vanuit deze visie bouwden de broeders in 1968 een middelbare school op verzoek van Mgr. Dery met hulp van Cebemo. In 1970 zaten de broeders dringend verlegen om een collega, die voldoende bevoegd was om de school het predicaat “ regerings-erkenning” te kunnen geven. Daarmee zou de school een stevig financieel fundament krijgen, omdat zij dan van regeringswege bekostigd kon gaan worden en de lasten niet langer meer voor de congregatie zouden zijn.

Nadat hij in Accra en met behulp was geland volgde een bijna eindeloze reis van 1000 km over zandwegen en door talloze kuilen waarbij het onderweg veel stof happen was. Zo arriveerde Albert in nov. 1970 in Nandom, waar hij door zijn mede broeders hartelijk werd ontvangen.

De volgende dag op zondag woonde hij in een volle kerk met veel geloofsbeleving de mis bij. Vervolgens bracht hij een bezoek aan het plaatselijke ziekenhuisje, waar sommige broeders eerder waren opgenomen en een VSO vrijwilliger die aan een infuus lag. Al gauw kwam bij hem de vraag op; “waar ben ik toch terecht gekomen, is het wel zo gezond hier? “ Veel tijd was er echter niet om hierover na te denken want zijn confraters stelden hem voor om de volgende dag op school 25 uur Engelse les en Wiskunde te gaan geven. Van enige inburgering of het leren van de lokale taal was geen sprake. Zo gezegd zo gedaan, dus stond hij op maandag voor een volle klas met Afrikaanse kinderen, met wie het moeilijk converseren was en het nog moeilijker was om ze uit elkaar te houden, want elke” zwarte” was voor Albert hetzelfde. Deze snelle aanpak heeft er toe geleid, dat Albert de lokale taal nooit goed heeft geleerd. Zijn carrière ging echter onverdroten verder. Na een half jaar was hij hoofd van de school en kreeg hij tot taak, de erkenning van de regering te verwerven. In 1972 kwam deze erkenning er al. Daarmee veranderde zijn functie in een manager/directeursfunctie, waarbij lesgeven niet meer aan de orde was. Er moest gereisd worden naar het regeringscentrum en andere plaatsen. Er moesten fondsen verzameld worden en de financiën op orde gehouden worden. In 1976 krijgt Albert toestemming om aan zijn school nog een sixth form toe te voegen, zodat de studenten op A-level konden worden opgeleid en daarmee ook toegang hadden tot de universiteit. Door het goede onderwijs in de regio werd de streek ook aantrekkelijk voor ondernemers en kwamen er industrieën, waarmee ook de werkgelegenheid groeide. In tegenstelling tot andere regio’s in Ghana is vanuit deze streek de trek van jongeren naar de grote steden veel minder geweest. De naamsbekendheid van de school leidde er toe, dat ook goede leraren van buiten de regio er graag les kwamen geven. Kortom in 7 jaar tijd groeide het onderwijs in Nandom o.l.v. Albert naar een hoog niveau. Albert zou Albert niet zijn als hij op dat moment niet bij zichzelf stil zou staan. Hij stelt zich de vraag: “ Hoe moet ik als broeder-religieus verder gaan? Ga ik alleen voor de mooie resultaten of draait het bij mij om nog meer? “ Hij besluit een ontslagbrief te schrijven en bezorgt deze bij de inmiddels zeer gewaardeerde en menselijke Bisschop Dery. Na lezing scheurt Dery de brief kapot en zegt hem: “ vervul je rol als religieus en kom over een half jaar maar bij mij terug”. Albert gaat in gesprek met zijn medebroeders en samen denken zij na over hoe zij aan hun religieuze opdracht als broeder in Ghana verder gestalte kunnen geven. Zij besluiten om aan Christian Community Building te gaan werken van waaruit leiderschapscursussen, bezinning en waardebepaling kan plaatsvinden. Dit beleid wordt een succes. Er ontstaat een grote beweging over de hele streek van mensen die interesse hebben om vaardig te worden in het animeren van gemeenschappen. Concreet betekende het een opleiding bieden in christelijk vormingswerk.

Tegelijkertijd vinden er in het land grote veranderingen plaats. In 1976 waren de militairen aan de macht en voerden een slecht bewind. Zij laten zich tot afschuw van Albert erop voorstaan dat zij goed zijn opgeleid in een missieschool !! Het dieptepunt is in 1979. De militaire machthebbers besluiten, dat alle Ghanezen hun oude geld moeten inwisselen tegen nieuw geld met een lagere koers. Deze operatie zou binnen 14 dagen moeten worden afgerond. Ook Albert gaat op weg om de gelden van zijn scholen en mensen uit zijn omgeving in te wisselen. De uitvoerende ambtenaren blijken corrupt te zijn. Zij behandelen de inwisselingsverzoeken mondjes maat en laten zich ervoor betalen. Omdat de tijd krapper wordt, de mensen dagenlang moeten wachten zonder voldoende voorzieningen, ontstaat er een mensonterende situatie. Albert besluit er iets aan te doen. Hij overlegt met de lokale chiefs en men besluit een delegatie naar de Gouverneur van het district te sturen en uiteraard wordt Albert in deze delegatie opgenomen. Als de gouverneur van de misstanden hoort, worden er direct passende maatregelen genomen, zodat de situatie genormaliseerd kan worden. Het aanzien van Albert in de streek stijgt door dit voorval tot grote hoogte. Zij hebben hem zelfs een tijdje tot district Treasure Officer ( schatbewaarder) gebombardeerd. Daarnaast wordt zijn naam Ketelaars verbasterd tot Brother Cutlass / broeder kapmes, en ook daarin komt het ontzag dat men voor hem heeft naar voren.

Als er dan in 1982 in Ghana een provinciaal kapittel wordt gehouden wordt Albert gekozen tot provinciaal overste. Cijfers illustreren de ontwikkelingen van de congregatie in Ghana. Toen Albert in 1970 in Ghana kwam waren er in het land 20 broeders van de congregatie van de broeders van Maastricht. Hiervan was de helft inlanders en de helft Europeaan. Nu in 2011 gaat het om 60 broeders, waarvan nog maar 4 Europeanen.

Albert vervulde 12 jaar de functie van provinciale overste en vond het moeilijk om zijn vormingsactiviteiten los te laten al probeerde hij als provinciaal zijn aandacht wel vooral uit te laten gaan naar de vorming van jonge broeders. Hij probeerde de congregatie uit te bouwen en te inspireren.

 

In 1994 wacht hem een volgende stap. Het algemeen kapittel van de congregatie vraagt hem om als eerste leiding te gaan geven aan een internationaal team van 5 broeders, die het bestuur van de congregatie gaan vormen. Een al gepland ‘sabbatical year ‘kon hierdoor niet doorgaan. Wel kon hij in 1995 nog een cursus op het gebied van spiritualiteit volgen. Het samen werken in een internationaal team was zeker in het begin niet gemakkelijk. Behalve dat je elkaar moet leren kennen, moet je ook ieders culturele achtergrond leren verstaan en er mee om leren gaan. Besloten was dat ieder een aandachtsgebied kreeg waar hij nog niet gewerkt had om op deze manier zoveel mogelijk tot een objectiverende benaderingswijze te komen. Voor Albert werd het Indonesië en uiteraard moest hij in zijn 12 jarige periode als generaal overste dit land ook diverse keren bezoeken en leerde hij zichzelf nog de Indonesische taal. "Het hoort tot mijn taak om allerlei hoogwaardigheidsbekleders op te zoeken, als ik in een van de landen waar onze broeders werkzaam zijn op bezoek ben. Zulk soort ontmoetingen zijn een bevestiging van een goede relatie van onze congregatie met de autoriteiten. Het veronderstelt dat je goed luistert en dat je niet al te veel toezegt, want anders loop je het provinciale bestuur van het betreffende land maar voor de voeten." Zo vermeldt hij in een ander interview. In datzelfde interview waarin hij terugkijkt op zijn eerste 6 jaar zegt hij nog over het proces van teamvorming: "Alles bij elkaar heeft het ons meer draad gekost dan we vermoedden. Je denkt als Aziaat anders dan een Europeaan. Je vergadert als Afrikaan op een andere wijze dan een westerling. Besluitvorming verloopt anders dan je inschat.

In 2006 geeft hij aan dat hij het wel mooi geweest vindt. Hij is dan 12 jaar generaal overste geweest en is de vergadering en administratieve rompslomp gewoon beu. Hij wil graag weer terug naar Ghana om daar weer met een nieuw project te starten. Maar eerst gaat hij om zichzelf helemaal te resetten in 2007 de Caminio naar Santiago de Compostella lopen. Een weldadige ervaring en onderweg werpt hij in de vorm van een steen alle ballast van de verantwoordelijkheden van de laatste jaren van zich af.

In 2007 keerde hij naar de plaats WA in Ghana terug. Bisschop Peter Dery is dan met emiraat, maar wordt als een soort hommage voor de 48 jarige periode, dat hij op een voortreffelijke manier bisschop was, door de Paus tot Kardinaal benoemd. Albert mag dit moment in Rome persoonlijk meemaken. Helaas komt Dery in 2008 op 88 jarige leeftijd te overlijden. Echter in en met zijn geest start Albert in WA het Pope John XX111 Centre for Integral Human Formation. Het centrum biedt jonge universiteitsstudenten een woon- werkplek en probeert door allerlei activiteiten de interculturele dialoog en vorming tussen de bevolkingsgroepen en religies in Ghana te bevorderen. Het werk van Albert daar is opnieuw succesvol. In enkele jaren tijd hebben 120 studenten op het centrum onderdak gevonden. Men heeft een wachtlijst van studenten die zich hiervoor aanmelden. Zijn bedoeling is om hiermee ook leiderschap te kweken, talenten tot ontwikkeling te brengen en vanuit christelijke waarden te leren handelen. “Kerk zijn in Ghana is een feest” zegt broeder Albert Ketelaars. Tussen de regels door vermeld hij, dat intussen ook één van zijn oud leerlingen tot bisschop benoemd is. Hij hoopt, dat deze bisschop ondanks de strakke hiërarchie in Rome in de traditie kan blijven van de overleden kardinaal Dery, die bij iedereen zéér geliefd was, omdat hij van mensen hield.

Albert is tevreden over de manier waarop hij in zijn leven gestalte heeft kunnen geven aan zijn idealen: broeder-onderwijzer voor armen zijn. Religieus zijn; mensen inspireren, uitdagen en talenten ontwikkelen, opleiden tot christelijk leiderschap. Hij vindt dat hij terugkijkt op een bijzonder leven, waarin ook hij zelf veel groei heeft gekend. Van verlegen zoon van een keuterboer uit Veghel, groeide hij uit tot een belangrijk en inspirerend leider van de internationale congregatie van de broeders van Maastricht ( FIC) en een zeer gewaardeerde broeder in Ghana.

Hij hoopt, dat de MOV groep in Veghel ook jonge mensen weet te bereiken en te inspireren. De MOV groep zou ook een ontmoetingspunt kunnen zijn, waar jongeren met ervaringen in de derde wereld hun ervaringen kunnen delen en uitbouwen, zodat zij later richting kunnen geven aan de maatschappij. Hij verwijst hierbij ook naar het Elim project van de fraters van Tilburg en de wereldjongerendagen.

 

Concreet probeert Albert in Ghana nog kinderen te helpen van wie de ouders geen geld hebben om hen naar school te laten gaan. Wie Albert wil steunen kan een bedrag storten op  ING rek no.: 67.94.11.402 Stichting Kongregatie FIC Maastricht (tbv Albert Ketelaars) BIC:INGBNL2A.

 

Albert Ketelaars ervaarde ik in dit interview als een prachtig, hartelijk inspirerend en spontaan mens. Een Veghelaar waar we nog altijd trots op mogen zijn.

 

Voor contact met Albert Ketelaars kunt U mailen naar: ketelaarsalbert@yahoo.com

 

 

Frits Sanders

 

 

terug naar het begin van de pagina  

 

-------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

 

 

 

‘Een man van toevalligheden’ interview met Nico Coolen,          broeder-priester van Maastricht.

 

Op een regenachtige donderdagochtend in de zomermaand juli ontmoet ik broeder Nico Coolen. Het gesprek vindt plaats op de pastorie van de Lambertus kerk. Hoewel hij in Maastricht woont, bezoekt hij Veghel nog regelmatig om met zijn broer Martin te musiceren. Nico is op 27 september 1938 als jongste zoon in het gezin Coolen in Veghel geboren. Zijn ouderlijk huis stond aan de Sluisstraat 20 op de plek waar later de H. Hart kerk zou verrijzen. Zijn vader kwam van Geldrop, maar liet zijn baan bij Philips in Eindhoven graag achter om te trouwen met een dochter van Frans van Zutphen – de kleermaker/kapper- uit de Korte Kerkstraat.  Zijn vader begon een kapperszaak, die veel klandizie kreeg. Het gezin Coolen telde 10 kinderen, die volgens Nico allemaal uit liefde geboren zijn. Het gezin bestond uit 7 jongens en 3 meiden. De jongste was een meisje, dat helaas met 1,5 jaar gestorven is,  en zo werd Nico weer de jongste.

Zoals alle jongens in Veghel ging ook Nico bij de broeders van Maastricht naar school. Het gezin Coolen was muzikaal. Een muzikaliteit, die zeker ook door de broeders gestimuleerd werd. Twee van zijn broers zijn opgeleid op het conservatorium. De ouders Coolen wilden voor hun kinderen graag een goede opleiding. Omdat 3 broers van moeders zijde al waren ingetreden bij de broeders van Maastricht, was het bijna vanzelfsprekend, dat zijn op één na oudste broer Frans daar ook zijn opleiding zou krijgen. Ook hij heeft zijn eeuwige geloften afgelegd binnen de broedergemeenschap van de broeders van Maastricht.  Deze broer woont bij hem op De Beyart, eens Moederhuis van de Congregatie, nu WZCentrum voor religieuzen en leken. Er volgden nog 3 broers die verschillende internaten  bezochten,  maar uiteindelijk toch weer naar huis kwamen en mooie gezinnen gevormd hebben met hun levenspartner.  Nico denkt dat  een mogelijk motief voor zijn vertrek op te jonge leeftijd naar Maastricht  het voorbeeld moet zijn geweest  van de mens, broeder en onderwijzer broeder Xaverio.  “Die broeder heeft mij waarschijnlijk een roeping voorgeleefd, die in mijn eigen groei als waard gevonden werd om na te volgen.”  Nadat hij een 7e klas had gevolgd, hij was te jong,  en hij zich met zijn moeder had aangemeld bij de broeders, vertrok hij in 1951 naar Maastricht. Daar ontmoette hij 78 jongens, die hetzelfde hadden gedaan, en waarschijnlijk niet allemaal voldoende gescreend, want ze verdwenen vroeg of laat allemaal, op een stuk of 5 na.  Volgens Nico zijn er binnen de  groei van de congregatie vanaf 1840,  veel Veghelse jongens dezelfde weg als hij gegaan,   en hebben binnen de broedergemeenschap  in Nederland of elders een  degelijk beeld neergezet van wat we als broeder van Maastricht  willen betekenen. Mogelijk is hiervan in de Veghelse archieven, maar zeker in het congregationeel  archief nog veel terug te vinden.

Nico vertelt, dat hij zich niet herinnert of  hij tussen zijn 12de  en 18de  jaar echt bewust zelf gewilde idealen  gehad heeft. “Ik bedoel, door omstandigheden  van studiekeuze en plaats van die studie – in een broedersinternaat -   heb ik het als het ware als een te vanzelfsprekende ontwikkelingsproces doorlopen.  Ik voelde me gelukkig in deze omgeving. Waren er mogelijkheden geweest voor gemengd onderwijs of normale mogelijkheden van vriendschap  met meisjes, dan  zou het misschien wel anders gelopen hebben. Dit was dus niet zó.  Als ik dit zo zeg,  bedoel ik daarmee geen verwijt aan niemands adres. Ik geloof namelijk heel positief in de werking van Gods  bedoeling met elke mens.  Hij laat ons vrij,  maar kent onze wegen… Mijn leven verliep zó, zoals het liep! En dat is goed, en ik ben er gelukkig in geworden. Vandaag in onze moderne tijd meent men dat je alles moet kunnen duiden.  Ik zie duidelijk het mysterie, het geheim in mijn levensgang!”  

Hij voelde zich goed thuis bij een leven van structuur en regelmaat, waarin ook het studeren tot zijn recht kon komen. Het goede onderwijs, de regelmaat in studie, sport, vrije tijd, het samenzijn en de religieuze omgeving hebben een grote bijdrage geleverd aan de groei van het langzaam opkomend verlangen om broeder/onderwijzer te zijn. Niet in eerste instantie een doelgerichte keuze dus, maar min of meer door de loop der omstandigheden bepaald.

In Maastricht haalde hij het diploma Ulo en later sloot hij de Kweekschool en de aanvullende cursus Hoofdacte met goed gevolg af. Daarna doorliep hij het postulaat en noviciaat, zodat hij in 1959 op 19 jarige leeftijd zijn eerste professie deed als broeder van Maastricht.  Op zijn 24ste  deed hij uit volle overtuiging zijn professie voor het leven. Dat was in 1964, en op het herinneringsplaatje aan dat feit, zette hij de tekst van de apostel Johannes: ‘Want God is groter dan mijn smart’. “Weliswaar ervaarde ik het als een sprong in het diepe, maar wel gebaseerd op een sterke religieuze overtuiging, dat God me verder zou leiden na die eerste 5 jaar ervaring in de congregatie die me gesterkt hadden’.  In het contact met zijn getrouwde broers en zussen en hun gezinnen, heeft hij aanleiding genoeg gehad om het huwelijksleven als een erg mooi ideaal te waarderen. “Ik geloof zeker, dat ik binnen een andere ‘setting’  dan die van de opleiding in Maastricht,  ook gelukkig zou zijn geworden in een huwelijk en met een mooi gezin. Maar daarover heb ik geen moment echt spijt gehad achteraf. Maar het leven heeft  me wel de kans gegeven om ietwat in te voelen wat echte liefde tussen man en vrouw voor een groot geluk kan geven.” Zo werd hij broeder - onderwijzer en later in Chili broeder catechist, godsdienstleraar en broeder – priester.

Hij begon zijn onderwijsloopbaan op een lagere school in Venlo en verbleef daar van 1961-1964. Vervolgens vroeg zijn overheid  hem tot tweemaal toe of hij bereid was om in een van de missiegebieden waar de congregatie werkzaam was, zich in te zetten voor de congregatie dáár. Het werd Chili.  Daarom ging hij voor een klein jaar naar Spanje  om zich op deze manier voor te bereiden op deze  uitzending. Hij zou 30 jaar in Chili werkzaam zijn, van 1965 tot en met 1994, en hij heeft zich gedurende die tijd met  veel vormen van werk als broeder religieus  bezig gehouden. In eerste instantie onderwijs, later ook pastoraat en catechese, vervolgens priesterlijk werk.  Tijdens die dertig jaren werd hij door zijn medebroeders gevraagd om ook met bestuurlijke functies  bezig te zijn. Van 1970- 1988 maakte hij deel uit van het provinciaal bestuur van de congregatie in Chili en van 1994 - 2000 was hij lid van het generaal bestuur van de congregatie, waarvoor hij naar Nederland moest terugkeren.

In 1972 kwam binnen zijn broederleven een bijzondere verandering.  Na een verzoek dat monseigneur Carlos González Cruchaga, bisschop van Talca aan Nico deed om hem priester te wijden voor de christelijke basisgemeenschappen van jeugd, leraren, en ouders, richtte de bisschop zich tot de besturen van zijn congregatie. Na toestemming  werd hij  na twee jaar op 15 augustus 1974 tot priester gewijd. Zijn  theologisch pastorale opleiding gingen buiten de normale opleiding van het seminarie.  Na het Concilie Vaticanum II (1962-1965) verdiepte hij zich in de vernieuwingen en zienswijzen en vormgeving  ervan,   in cursussen de aggiornamento, die geleid werden door de katholieke universiteit van Santiago en door de landelijke organisatie van het bijzonder onderwijs. Daarnaast kreeg hij van zijn congregatie de gelegenheid om zijn studies en praktijkervaringen te verdiepen  door aanvullende  studies van pastoraal  theologie, spiritualiteit, catechese,  sociaal pastoraat.   Deze studie was zeer intensief en verrijkend.  Hij was één van de 120 studenten komend uit alle landen van Zuid en Midden Amerika. Die voortgezette vorming vond plaats  op het  Pastoraal Theologisch Instituut  van de Bisschoppenconferentie van Latijns Amerika in Medellín, tweede stad van  Colombia.  Al deze medestudenten waren mensen uit de praktijk, en door de wol geverfd:  kenners van hun volk en hun leed.  De studie was afgestemd op en bestemd  voor een pastorale aanwezigheid rond verlossing en bevrijding binnen de Latijns – Amerikaanse Kerk. 

De congregatie van de broeders van Maastricht opgericht in 1840 was van oorsprong een Nederlandse congregatie , bedoeld om vooral kansarme kinderen in Nederland een toekomst te geven door hen een goede basis -opleiding te bieden. Later, op aandringen van Rome, heeft zij zich, zoals vele andere congregaties, geopend naar een missionaire zending in de wereld.  Het onderwijs van de broeders had een goede naam. Zij hadden door de opleiding aan hun eigen kweekschool een onderwijssystematiek ontwikkeld, waarmee zij ook internationaal faam verwierven. De broeders, daarin hun Stichters Mgr. Luis Rutten en Broeder Bernardus Hoecken volgend, waren er van overtuigd, dat een goede opleiding de basis vormde voor een verdere levensontplooïng als mens en als christen.

In Chili waren de broeders in 1952 door Manuel Larrain, de bisschop van Talca ( nu ongeveer 200.000 inwoners) gevraagd om les te komen geven vanuit een christelijke inspiratie aan kinderen uit achterstandswijken en naast het onderwijs ook de catechisatie van volwassenen te verzorgen. Mgr. Larrain was op zijn beurt geïnspireerd geraakt door de Braziliaanse bisschop Dom Hèlder Câmara, die verantwoordelijkheid droeg voor het hele onderwijs in Brazilië en dit volgens een Belgisch-Frans model onderwijs per sociale categorie wilde opzetten.

 

(Redactie:  ‘Als Nico na 6 weken varen op 20 oktober ‘65 in de haven van Valparaiso Chili aankomt is het land en het continent Zuid-Amerika volop in beweging. De verschillen tussen arm en rijk trekken diepe sporen en laten de kerk van Zuid-Amerika niet onberoerd. In Chili is eind ‘64 de christen democraat Eduardo Frey  Montalva tot president gekozen. Frey voert een sociaal christelijk programma uit onder de slogan ‘revolutie in vrijheid’. Essentieel daarbij waren: verbetering van het lot van de armen, landhervormingen, onderwijshervormingen en de vorming van wijkgemeenschappen. Zijn aanpak krijgt veel steun van de christendemocratie wereldwijd. Het uitvoeren van de sociale agenda krijgt in Chili steeds meer nadruk, waardoor Salvador Allende analoog aan Fidel Castro en Che Quevara, een ‘revolutie a la chilena’  predikt om een marxistische maatschappij te vestigen. Toen Allende, ondanks de inspanningen van Frey, in 1970 toch tot president werd gekozen kwamen de verschillende groepen steeds meer tegenover  elkaar te staan en dreigde er burgeroorlog. Een en ander leidde in 1973 uiteindelijk tot de staatsgreep van de militairen, de dood van Allende en de rechtse dictatuur van generaal Pinochet, die veel politieke tegenstanders uit de weg liet ruimen.  Nico heeft in die tijd het geluk gehad deel te nemen aan de oprichting van een ‘geïntegreerde school’ waarin een arme, een rijke en een middenstand schoolbevolking tot  een schoolgemeenschap fuseerden, en daarbij gericht stonden op een opvoeding en onderwijs gericht op een opvoeding tot gelijkwaardigheid,  vrijheid en gerechtigheid.) 

 

Nico voelde zich vrij om vanuit de kerk en zijn congregatie de sociale gedachte te verbreiden en kreeg daarbij voldoende support van zijn superieuren. De Chileense kerkelijke hiërarchie, hoewel afkomstig uit de rijke bovenlaag van de bevolking, gaf er blijk van in hun theologisch-pastorale beschouwing en waardebepaling gevoelig te zijn voor de armoede en andere soorten van eigenschappen en gedragingen van het volk. Daardoor staan zij niet ver van het volk af.  Zijn congregatie bevorderde de integratie met de wereld van de armen, en zo kwam het dat Nico en drie andere medebroeders met de armen bouwden aan eigen huizen en een school voor lager onderwijs, in een bijstandsbuurt.  Hij heeft daar het geluk gehad een aantal jaren met twee andere medebroeders  te mogen wonen en leven in een van deze huisjes, in de wereld van de armen.

 

(Redactie: ‘De katholieke kerk streefde steeds een middenweg na; de zgn. ‘derde weg’. Zij liet zich inspireren door het Lucas evangelie hfst. 4 vers 17-19, waarin staat dat Jezus is gekomen om de “armen de Blijde Boodschap” te brengen. Op basis hiervan werd door Zuid-Amerikaanse theologen de bevrijdingstheologie ontwikkeld. Kenmerkend daarbij is, dat de Kerk van Jezus Christus radicaal voor de armen moet kiezen en zich moet verzetten tegen kwaadaardige sociale structuren. Bekende theologen van deze beweging waren: Leonardo Boff, Dom Hèlder Câmara, Gustavo Gutiérrez. Zij baseerden zich op het conciliedocument ‘Gaudium et Spes’, waarin de pastorale constitutie van de Kerk in de moderne wereld is vastgelegd. In 1968 werd de bevrijdingstheologie door de vergadering van Zuid-Amerikaanse bisschoppen in Medellín als een nieuwe visie omarmd. Leonardo Boff verbindt in zijn publicaties de boodschap van de Kerk aan de dagelijkse praktijk in Zuid-Amerika. In 1971 verscheen het boek van Gutiérrez  ‘Teología de liberacion’.

 De kerk in Chili probeerde sinds de rechtse coup en de vervolgingen die daaruit voortvloeide zoveel mogelijk de lijn van Eduardo Frei en de bevrijdingstheologie vast te houden en een midden positie tussen de elkaar bestrijdende partijen in te nemen. Zij kwamen op voor gerechtigheid. Het episcopaat had duidelijk oog voor de armen en de sociale agenda, die hieruit voortvloeide, maar wees revolutionaire veranderingen en geweld af’. Redactie).

 

Na dit uitstapje naar de tijdsgeest waarin Nico Chili binnenstapt ga ik met hem terug naar het werk wat hij daar verrichtte. Hij start in Vina del Mar en is daar verbonden aan een armenschool in het heuvelland van Vina del Mar, gelegen op de berghellingen van het kustgebergte, vlakbij de havenstad en badplaats Valparaiso. Hier blijft hij werken tot aug.1968 en ziet hij de grote verschillen tussen arm en rijk. Vervolgens verhuist hij naar Talca een provinciestad in midden Chili op 240 km van Santiago, het bisdom van de door de bevrijdingstheologie geïnspireerde bisschop Larrain. Hier zal hij blijven werken tot zijn vertrek in 1994. Hij was er zowel op de lagere als middelbare school werkzaam. Gaf les in Frans en Engels en gaf christelijke levensoriëntatie.

 

Zo zette hij zijn leven  vanaf 1974  voort als broeder-priester. Binnen de behoefte het godsdienstonderwijs te leggen in handen van leken onderwijzers,  werd hij door de bisschop gevraagd om samen met P. Jozef Comblin, een Belgische bevrijdingstheoloog, onlangs overleden, en twee zusters, wegen te openen naar een goede basisopleiding voor onderwijzers van lager en middelbaar onderwijs. Samen richtten zij een Diocesaan Catechetisch Centrum op voor gezin- en schoolcatechese. Nico werd hiervan de directeur.  Hij wil er meteen aan toevoegen dat zijn benoeming hiertoe meer bepaald werd door het feit dat hij priester was.  Het echte werk van integratie van het Evangelie in de cultuur van het land,  werd zeer zeker en vooral gunstig beïnvloed door een prima samenwerking met de Chilenen: leken, religieuzen en priesters in de verschillende dorpen, steden, bisdommen ten lande. 

 

Behalve de opleiding van jeugd- en volwassencatechisten binnen het bisdom Talca, startte het team een schriftelijke cursus  ‘La Paloma’ voor voortgezette scholing van godsdienstleraren,  in nauwe samenwerking met het Ministerie van Onderwijs, die de cursus erkende en de leerkracht bevestigde met een extra toelage op het maandloon. Zo bleven Nico’s  talenten niet onder de korenmaat verborgen.

 

Zijn congregatie had hem echter nodig voor een bestuursfunctie binnen haar eigen algemeen beleid.  Na een periode van 30 jaar, waarin hij zich ook voor de eigen broedergemeenschap op verschillende manieren had ingezet, werd hij in augustus 1994 tijdens een algemeen kapittel van de congregatie gehouden in de Provincie  Indonesië, gekozen voor een taak binnen het algemeen bestuur van de Congregatie, dat tot op de dag van vandaag gevestigd is in Maastricht. Het was sinds haar stichting in 1840, het eerste generaal bestuur van 5 leden met een internationale  samenstelling:  twee Indonesische broeders, een Ghanese broeder, en twee broeders van Nederlandse origine, de Veghelaars  Br. Albert Ketelaars tot dan toe werkzaam in Ghana, en Nico, die daarom zijn zending in Chili moest afsluiten. In september van dat jaar kwam hij naar Nederland terug.  Niet zonder moeite moest hij zich losmaken van Chili, waar hij met hart en ziel gewerkt had en zich sterk met het land en zijn inwoners verbonden was gaan voelen.

 

Toch laat hij ook zien dat hij kan relativeren en gevoel voor de werkelijkheid heeft, als hij zegt, mijn taak zat er daar op. “Ik heb de catechisatie en het godsdienstonderwijs gestalte kunnen geven en mijn directeursfunctie en andere taken konden uitstekend overgenomen worden door eigenlandse krachten.” Verder is er ook een dankbaar gevoel over wat hij heeft kunnen betekenen in Chili; zijn bijdrage aan de integratie van de sociale klassen; ondersteuning geven aan de lokale volkswaarden; zijn uitdrukkelijke keuze voor de armen; alles wat hij heeft mogen leren over de bevrijdingstheologie en de daaruit volgende inzet voor een apostolaat van bevrijding, geïnspireerd uit de Blijde Boodschap van de Heer. De bevrijdingsopvoeding van de mensen; het leiding mogen geven vanuit een dienende houding van het broeder zijn. “Ik heb er veel mogen leren”, zegt hij. In Chili vond hij een goede aarde om vanuit het Evangelie van Jezus de menselijke waardigheid te bevorderen te midden van alle menselijke gebrokenheid. Hij liet er veel lieve mensen achter, veel mooie gewoontes, een zeer aantrekkelijk eet menu, een actieve Kerk,  bijzonder in periodes waarin het volk lijdt door onderdrukking. Hij deelde in  de gewoonheid van de armen; kende hun egoïsme, hun humor, hun politieke gevoeligheid op het sociale gebeuren, en ergerde zich met hen aan de belofte van de welgestelden.

 

Terug komen naar Nederland viel niet mee. Hij kwam in een enorm vacuüm terecht: Alles wat hij daar betekende was hier niet meer. Hij kon geen inhoud meer geven aan zijn broeder-priester zijn. Naast het inburgeringsproces in ons land, de mentaliteit van de westerse wereld en een sterk hiërarchies gekleurde kerk, moest hij zijn broederleven weer voortzetten binnen de Nederlandse Provincie van zijn eigen congregatie, maar met een taak die op algemeen niveau lag. Zoals boven aangegeven moest hij zich inwerken in een internationaal bestuursteam. Elkaar op een goede manier gaan verstaan was de eerste niet gemakkelijke opgave. Nico kreeg als aandachtsgebied ‘Afrika’ toegewezen. In die hoedanigheid maakte hij ook reizen naar Ghana en Malawi. Dit werk betekende veel meer vergaderen rond doelstellingen en beleidslijnen, Thema’s rond inkulturatie en apostolische spiritualiteit.   en veel minder directe contacten in de uitvoering. Hij hield het een periode van 6 jaar vol, een eenzame periode. “Ik heb het bij alle hectische toestanden waarin ik terecht kwam tijdens het uitvoeren van  die internationale bestuurstaak, een tijd gevonden waarin ik me vaak geconfronteerd voelde met de eenzaamheid:  overal moeten zijn, met velen mogen en moeten communiceren, en tegelijkertijd niet los kunnen komen van een situatie van ontworteling…”. 

Toen hij in 2001 vrij kwam van het bestuur, ging Nico niet meer naar Chili terug. Bewust, omdat hij het niet goed vond om zichzelf en de chilenen nog een tweede keer te confronteren met een weggaan, zoals in 1994. Hij wist dat hij niet voor het leven in Chili zou blijven.  Hij kwam weer officieel te horen bij de Nederlandse Provincie, en sloot zich aan bij de broedergemeenschap van de Sterreschans in Nijmegen.  Binnen het jaar vroeg het provinciaal bestuur van deze Nederlandse Provincie om zich te richten op het pastoraat in het verzorgingshuis De Beyart, vroeger Moederhuis van de Broeders in Maastricht. Daar wonen thans een 160 ouderen. 120 van hen zijn religieuzen, onder wie 56 zusters en 64 medebroeders.  Een  40 tal leken vormen een groeiende groep.  Binnen deze leefgemeenschap  is Nico nu al weer 10 jaar  actief. Hij ervaart het als een zinvolle taak, waarbij hij menigeen nog tot steun en inspiratie kan zijn.  Een broeder kan als mens voorkeuren hebben voor een bepaald land en volk.  Maar als religieus draagt hij een zending die zijn eigen grenzen en landsgrenzen verlegt!

Terug in Nederland ervaart hij ook een ander soort kerk, die vervreemdend op hem werkt. “De rationele instelling van de westerse/Europese kerk die grotendeels de aansluiting mist bij de gevoelens van het volk door een rechtlijnige, structurele manier van denken. Hierdoor kan de pastoraal-menselijke kant van God te weinig zichtbaar worden.  Inhoudelijk en structureel had de Rooms Katholieke Kerk zich consequent moeten vernieuwen in de geest van Johannes XXIII, daarbij de richtlijnen van het Vaticanum II trouw blijvend en in die geest uitdiepend...  Ze zouden eens fris opnieuw moeten beginnen,  zonder de eeuwenoude zekerheden.  Kon de kerkelijke hiërarchie zich maar vrij maken van tijdelijke machtsstructuren, en zich daardoor goed arm en machteloos voelen. Het zou ons allemaal goed doen! “, is zijn overtuiging. De problemen m.b.t. het gedrag van priesters en religieuzen rondom seksualiteit wijt hij aan de tijdsgeest en stijl van opvoeding. En heel zeker ook aan het feit dat de Kerk en daarbij ook de religieuzen  zich verwikkeld hebben met hun eigen machtspositie. Het is moeilijk van je piëdestal af te komen, waar je met je eigen goedkeuring vaak door het goed gelovige volk opgezet werd. Het heeft ons als Kerk aan eenvoud en mildheid ontbroken. Macht en starheid dwongen haar om voor sommigen kerkelijke leiders bewust voor anderen onbewust:  allerlei zaken van eigen gebrokenheid onder de pet te houden.

 

Nico zegt me, dat hij een man van toevalligheden is geweest. Zijn roeping was en is : ‘Broeder van mensen’ te zijn. Hij vindt, dat hij dit heeft waargemaakt en daarmee door zal gaan, maar niet meer als ‘mede de kar trekker’ op inhoudelijk en structureel vlak!

Als realist ervaart hij dat het leven in de congregatie hem ook beperkingen heeft gebracht. Hij benoemt de frustratie op de ontwikkeling m.b.t. het affectief/seksueel emotionele aspect in zijn leven. “Natuurlijk onderwijst en rijpt de mens in het omgaan met het leven zelf, maar toch…”

Ook maken oude kloostergewoontes en afspraken een soort wereldvreemdheid en onmondigheid in stand, bij voorbeeld  m.b.t. het uitoefenen van handelingen met de maatschappij: bank-geld/ verzekeringswezen:” ik ben daarin een leek gebleven omdat alles voor je gedaan werd en  wordt.”

Aan de andere kant staan er ook veel baten

-    Een geweldige rijkdom aan mogelijkheden rond vorming, studie, kansen van ontwikkeling op vakgebied, leiding geven, studie mogelijkheden en bijscholing en vorming

-    Verdieping van geestelijk en religieus leven, gevoelig gehoorzaam staan binnen de noden die aangeboden worden, oefenschool voor de liefde: ook de affectieve liefde.

-    Het broederlijk gemeenschappelijk leven.

Hij concludeert, dat hij zeker wel gelukkig is geweest en dankbaar naar zijn Congregatie.

 

Als ik hem vraag wat hij geleerd heeft van de mensen in de derde wereld is zijn antwoord klip en klaar.” Dat ze hun eigen trots hebben, en terecht. En daar mag je nooit met je Hollandse klompen zo maar doorheen gaan!

Ons past bescheidenheid in het spreken, in het bevragen, in het geven van kritiek.

De godsdienstige gevoeligheid van de mensen daar voor het Evangelie vond ik verrassend en een grote verrijking en inspiratie voor mijn eigen leven en werken in de wijngaard van de Heer.”

Hij vindt, dat zijn congregatie de afgelopen 50 jaar veel heeft kunnen betekenen in binnen- en buitenland. ”We hebben veel goedheid en begrip laten zien voor eigen en andere culturen. We hebben goede waarden uitgedragen in onderwijs en opvoeding met een gepaste interculturele gevoeligheid. We hebben veel bijgedragen aan de bouw en inrichting van scholen en het geven van technisch en bijzonder onderwijs ( instituten voor blinden en slechthorenden ( Ghana en Malawi). We hebben ons ingezet voor de ontwikkeling van de maatschappij. We hebben de rechten van de mens bevorderd, een keuze voor de armen gemaakt en bijgedragen aan  interculturalisatie, godsdienstige vorming en oecumene. We hebben kweekscholen gesticht en gezorgd voor goed lager humanistisch onderwijs en technisch onderwijs en vervolgonderwijs tot stand gebracht, dat alles vanuit een christelijk – evangelische spiritualiteit van broeders voor mensen . Voorwaar geen geringe prestatie!

 

Over ontwikkelingssamenwerking is Nico erg duidelijk. “We moeten ophouden met al het kleine gepriegel met kleine projecten. Zij zijn weliswaar mooi om ruimte te geven aan het gevoel van menselijk-christelijke  waarde en goedheid, die vooral leven op de schaal van de kleine mens en enkele grote instellingen. Het gaat om meer.

“Van mij, maar ik ben slechts een leek en kan het niet overzien, zou de wereld veel harder moeten werken aan de gerechtigheid tussen noord en zuid. De rijke landen geven nu een fooi. Ze zouden uit schaamte binnen de kortste keren hun eigen stelsel: economie, opvoeding, sociale activiteiten in binnen- en buitenland moeten aanpassen. We zouden open grenzen moeten hebben die geen nationaliteiten, rassen en godsdiensten discrimineert”. Hij vindt, dat er door de consumptiemaatschappij, die gebaseerd is op materialisme en individualisme sprake is van een geestelijk en moreel verval in onze samenleving. Hiermee verdwijnt de onderlinge solidariteit. “ Het is tijd, dat er zowel in de rijke als in de arme landen meer hygiëne komt in de menselijke geest, waardoor echte ontwikkelingssamenwerking misschien mogelijk zou zijn.  Aan die mentale en affectieve hygiëne kan geen enkele mens, geen ideologie op politieke visie, geen wetenschap, cultuur of godsdienst zich onttrekken.  Alles en allen moet gericht staan op de Liefde vanwege de gerechtigheid met de kleinen”.

Het ontvangende land zou op eigen initiatief een systeem van gerechtigheid en huishoudelijke organisatie moeten opzetten, bestaande uit verdragen op maat van hun eigen economisch, sociaal en politiek niveau. De schenkende landen zouden via wereldorganisaties hun industriële, financiële en sociaal-culturele projecten moeten coördineren. In die wereldorganisaties zouden landen van noord en zuid evenveel invloed moeten hebben bij het uitzetten van beleidslijnen en bij het nemen van beslissingen. Dat kan als de doelstellingen zijn afgestemd op basis van humanitaire en wetenschappelijke studies en niet op basis van materieel bezit op politieke eenzijdig georiënteerde  belangen. Vervolgens steekt hij de hand ook nog in eigen boezem. Wat mijn congregatie betreft, behoor ik niet tot de groep  die structureel  het schooien om geld praktiseren. Het gaat in de wereld om veel fundamentelere zaken.

Tenslotte vraag ik hem wat MOV groepen kunnen betekenen in een globaliserende samenleving? Hij zegt: “Ik denk dat elke inspanning tot gerechtigheid ligt binnen de intenties van de Kerk en Missie. Als dat niet het motief is van het inhoudelijke en structurele van de MOV dan verspeel je tijd en energie. De evangelische gedachten zoeken namelijk geen houvast in het inzamelen van geld, maar wel met hulp die voortkomt uit het spreken, oordelen en beslissen vanuit de sociale gerechtigheid. Globalisering of niet: de taak van de Kerk en van alle organisaties rond Kerk en sociale ontwikkeling is: de gerechtigheid. De hoofdkwaliteit van God is immers ‘te beminnen omwille van de gerechtigheid.’ Ontwikkel als MOV mee ‘het recht om mens te zijn ‘ Biedt tegenwicht aan onderdrukkende hiërarchieën. Je zending hier is ‘gist zijn voor het Kerk zijn, Jezus hart zijn ‘ Werk alleen samen met lokale kerken in de derde wereld, die ook de gerechtigheid hoog in hun vaandel voeren.

Na een periode van ziekte gaat het nu gelukkig weer goed met Nico. Hij probeert zijn verwachtingspatronen wat lager te zetten om zichzelf ook niet teveel onder stress te zetten. Hij wil graag ook zijn waardering en dankbaarheid uitspreken naar de Veghelse gemeenschap toe en naar de MOV in het bijzonder  voor de geestelijke en materiële steun die Nico vooral tijdens zijn jaren van zending als broeder in Chili, heeft mogen ervaren. De tijd dat ‘Vat oe fiets’ volk, kerk en gemeente  verenigde  rond de Veghelse missionarissen en hun families, is hem steeds bij gebleven. 

Ik ervaarde hem als een boeiende man, die mogelijk met enig toeval broeder is geworden, maar zijn broeder en later ook  zijn broeder-priester  zijn met volle overtuiging heeft uitgedragen. Zeker een Veghelaar om trots op te zijn.

 

Br. Nico Coolen

WZcentrum De Beyart

Brusselsestraat 38

6211 PG  Maastricht

Tel 043 6311 923

 

Frits Sanders juli 2011

-------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

 

 

terug naar het begin van de pagina